Posts tonen met het label In plaats van een roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label In plaats van een roman. Alle posts tonen

zondag 1 november 2015

In plaats van een roman (een boom)


Een geval van seizoensloosheid

Tot voor kort werkte ik op een kantoor met uitzicht op een park. Ik zat op de derde verdieping, waardoor ik me afhankelijk van het seizoen van negen tot vijf omringd wist door kruinen of takken. Wat zich op de paden of in het struikgewas afspeelde, ging me grotendeels voorbij. Ik hoefde maar door het raam te kijken om te weten welk seizoen zich in de bomen ontvouwde of terugtrok - van de frêle, lichtgroene plukjes van de lente tot de kale takken van de winter.

Mijn huidige werkplek, opnieuw met een groot raam, maar wel op een gelijkvloerse verdieping, zet die lijn enigszins verder: als alles goed gaat kijk ik binnenkort uit op een ommuurde tuin. Dezer dagen houden twee mannen zich bezig met de aanleg van een kronkelig pad. De plekken waar ooit bloemen, struiken en bomen zullen groeien lijken voorlopig op de zandkuilen van een golfbaan. In dit bureau, waar een uitgekiend verwarmingssysteem de temperatuur regelt, zal het de tuin zijn die me laat weten of het zomer of winter is. Een blauwe lucht en een zon kunnen zich in elk seizoen laten zien, bloemen of fruit daarentegen bloeien of zwellen enkel tijdens een specifieke periode.

De uit-knop

Bij gebrek aan een uitzicht vanaf mijn bureau op het groen, heb ik gemiddeld een achttal uren per dag de indruk in een seizoensloze wereld te leven. Ik zie enkel een pad en wat zand. Is het zomer of winter? Het uitzicht blijft het antwoord schuldig. Nu sta ik niet afkerig tegenover enige chaos in mijn leven, vooral niet als ik daarmee ook aan de chaos van de zomer kan ontsnappen. Het seizoen slaagt er elk jaar opnieuw in mijn leven overhoop te halen.

De maanden juli en augustus zetten mijn lichaam en geest op pauze, alsof de zomer ergens achter aan mijn hoofd een schakelaar op de uit-stand zet. Het seizoen dwingt me om me over te geven aan het observeren en registreren van mijn omgeving. Toch wil er zich altijd iets diep in mij tegen die gedwongen lethargie verzetten. Aan de slag gaan met mijn observaties en registraties lukt echter nooit. Elk initiatief wordt door rosé en gegrild vlees gesmoord.

Aan het einde van de zomer druip ik van de indrukken. Daarnaast ben ik doodop omdat ik door de hitte 's nachts de slaap moeilijk vat. Begin september ben ik fysiek leeg, maar mentaal overvol.

Het ravijn

De maand september laat zich het best vergelijken met een wandeling op een smal paadje. De zomer gaapt als een aanlokkelijke diepte aan de ene kant, de herfst als een schrikbarend hoge berg aan de andere. Ik dwing mezelf het paadje te volgen dat tot aan de top van de berg leidt. Al wandelend neem ik afstand van de diepte, de zomer; ik nader de top, de herfst. Ik baan me een weg van ontspanning naar inspanning. De eerste stap doet me altijd huiveren. Een huivering die reeds in de eerste zomerdag verborgen zit. In de lethargie - een leegte, een niet-zijn - schuilt het begin van iets nieuw. Ik weet dan al dat het moment van de klim, van de inspanning er ook weer staat aan te komen.
De zomer is het seizoen van zwellende vruchten en ideeën. Het aanbod is overweldigend, de vraatzucht immens. Gelukkig blijft zoiets niet duren. Zelfs aardbeien, frambozen, kersen, abrikozen en perziken gaan op de duur vervelen. Toch zijn veel mensen een andere mening toegedaan. Zij dromen van een onophoudelijke zomer. Zij leggen de herfst of winter naast zich neer en zoeken elders met een vliegtuig naar een zon. De meerderheid keert na een of twee weken terug naar huis. De kans dat het in eigen land killer is dan voor hun vertrek is reëel. De rouw om de zomer wordt in het beste geval uitgesteld, maar slaat bij hun terugkeer eens zo hard toe.

Darian Leader, een Britse psychoanalyticus, publiceerde in 2011 Het nieuwe zwart, een boek over rouw, depressie en melancholie. Hij pleit voor het doorleven van ongeluk en is tegen het hedendaagse ongebreidelde streven naar geluk. Zwaarmoedigheid en rouw vervullen volgens hem een functie in een mensenleven. Wie zich daarvan afkeert, zet de deur naar een depressie op een kier. Onze geest verzet zich van nature tegen pijnlijke ervaringen. Desalniettemin vindt Leader het zinvol om met die ervaringen contact te maken. Pas wanneer je een verlies analyseert, kun je er ook afstand van nemen. Je moet jezelf opnieuw in en onder invloed van een gewijzigde context leren definiëren.

Een beminnelijke herfst

De herfst wordt traditioneel met verlies, depressie en dood geassocieerd: de bomen stoten hun bladerdek af, dokters stellen meer depressieve klachten vast en het sterftecijfer stijgt. Een seizoensgebonden depressie wordt aan het verminderd aantal uren daglicht toegewezen, niet aan de herfst an sich. Het aantal sterfgevallen stijgt niet alleen tijdens koudere perioden, maar ook tijdens hittegolven. De dood behoort dus zowel de herfst als de zomer toe.

Een zon kan zinderen, maar een ruisende kruin van okerkleurige, baksteenrode of bruine bladeren kan dat evenzeer. Het hoeft alleen maar wat te gaan waaien. Ook in de herfst groeien groenten en fruit aan stengels, takken, struiken of onder de grond. Ik ben dol op een doodgewone herfstdag met regen, wind en vallende bladeren. Staat elk blad - verdord, verkleurd of afgevallen - symbool voor een zomers idee dat eindelijk klaar is om te worden opgeraapt? Of kan ik een idee beter met een boom vergelijken? In de herfst gooit hij de zomerse balast van zich af. Wat overblijft is zijn essentie: een stam en takken.

Een onvermijdelijk seizoen

De dood dwingt je tot een nieuw begin. Het ding, dier, seizoen of de persoon die je identiteit deels mee vormgaf is verdwenen. Bij elke uitvaart wordt niet alleen de overledene, maar ook een stuk van jezelf begraven. Tegelijkertijd krijg je een uitnodiging om iets nieuw te maken, om jezelf opnieuw te maken. Kunst kan hierbij helpen of zalven.

Hanna Segal, een Britse psychoanalytica, omschrijft kunst als een reeks instrumenten om ons te helpen rouwen. Leader bouwt voort op haar redenering en zegt: 'In ons onbewuste gebruik van kunst moeten we uit onszelf treden om weer binnen te kunnen komen. (...) De ware sociale functie van kunst is misschien dat ze voorbeelden geeft van creëren.' Ginette Raimbault, een Franse psychoanalytica die tijdens haar leven uitvoering over rouw schreef, zegt: 'Wat niemand kan begrijpen van mijn verdriet, kan iemand zó uitdrukken dat ik mezelf kan herkennen in wat ik niet kan delen.'

Rouw ik een herfst, winter en lente lang om een voorbije zomer? Houd ik al schrijvende de zomer in leven? Overbrug ik de kloof tussen de ene en de andere zomer door de inspiratie die het seizoen me heeft gegeven aan te boren? Of doe ik net het omgekeerde en keer ik me van de zomer af door uit de veelheid aan indrukken een onverbiddelijke selectie te maken? Ik ga enkel met de interessantste observaties en registraties aan de slag, gebruik ze als grondstof voor verhalen en gedichten. In dat laatste wil ik graag geloven.

Lees ook:

zaterdag 4 juli 2015

Zomer

Ik wijk niet graag af van goede gewoontes, daarom zal wardmertensschrijft.blogspot.be ook deze zomer op een lager pitje worden gezet.

Helemaal stil valt de boel hier niet. Of dat is toch niet het plan, alleen ... zomers kunnen nogal eigenzinnig zijn. Misschien bots je af en toe op een gedicht, misschien op een youtubefilmpje of twee, drie afhankelijk van de inspiratie, goesting en het aantal glazen rosé.

Ben jij iemand die met een stapel boeken op vakantie vertrekt? Dan zijn de longreads die ik eerder dit jaar schreef onder de paraplu van In plaats van een roman iets voor jou:

Een tuin
Stilte
Geen tuin
Veel tuinen
Een bibliotheek
Een mikmak
Een brief
Een vaas
Een kopie
Een schilderij
Een trein
Een bloem
Een klok
Een eiland

Pluk de zomer en dans dans dans!

donderdag 2 juli 2015

In plaats van een roman (een eiland)


Een obsessie

Zin in een bekentenis? Tijdens zowat elke fase van mijn leven ben ik door iets of iemand geobsedeerd. De objecten van mijn obsessie zijn zeer uiteenlopend, van dier tot superheld, popartiest, kunstenaar, land of stuk zeep. Als iets of iemand me in de ban houdt, wil ik alles over dat ding of die persoon weten. Meer zelfs: ik wil het object van mijn obsessie zijn. Zoiets lukt alleen als de grens tussen mezelf en dat object vervaagt. Die buitensporige vorm van overgave heeft niets te maken met een ziekelijke bezitsdrang, maar wel alles met een verregaande vorm van interesse en nieuwsgierigheid. Hoe ik ooit (bijna) in een stuk zeep veranderde, vertel ik een andere keer. Voor dit stuk wil ik het houden bij mijn IJsland-obsessie.

Toen ik me voornam over IJsland te schrijven, liep ik naar mijn boekenkast. Daaruit plukte ik Independent People van Halldór Laxness, een roman die ik in 2008 tijdens een bezoek aan Reykjavík kocht. Laxness was de eerste, een voorlopig ook de laatste, IJslandse auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur won. Voor een land dat slechts 300 000 inwoners telt, is dat lang niet slecht. België (met 11 000 000 inwoners) telt evenveel winnaars en Nederland (16 000 000 inwoners) sleepte de prijs nog nooit in de wacht.

Tot literatuur gedoemd

Een verklaring voor die ogenschijnlijk scheefgetrokken verhouding is simpel: IJsland is, veel meer dan België of Nederland, een land van verhalenverteller, lezers en schrijvers. Wereldwijd worden er, opnieuw verhoudingsgewijs, nergens zoveel boeken geschreven, gelezen en gekocht. In een interview zegt de IJslandse auteur Sjón daarover:
We are a culture of literature. The country was so poor throughout the centuries that practically the only cultural activity that was constant was literature. (...) We have no cathedrals, we have no academic painting, we have no symphonies; we have no proper cultural activities - compared with the Europeans of course - until let's say the 1930's. So for an Icelander the first art is literature. 
IJslanders waren met andere woorden tot literatuur gedoemd. Mettertijd raakte hun band met het woord in de volksaard ingebakken. Het ligt niet in hun karakter zich tegen de (soms harde) realiteit te verzetten. Ze stellen zich flexibel op, niet alleen tegenover de kunstvormen die zich aandienen, maar ook tegenover de natuur. Ze weten dat het weer plotsklaps kan veranderen, ze weten dat een vulkaanuitbarsting dorpen en bruggen kan vernielen. Ze leren het weer verdragen, elke dag opnieuw. Flexibiliteit hoort bij hun eilandmentaliteit.

Vespertine

Mijn interesse in literatuur was gek genoeg niet de reden waarom ik naar IJsland wilde gaan. In 2008 begon ik nog maar pas te lezen en te schrijven. Ik was me maar vaag van de IJslandse literatuur bewust. Mijn fascinatie voor het land begon zeven jaar eerder toen ik het album Vespertine van Björk kocht. Vrij vertaald betekent de titel zoiets als avondlijk, een toepasselijke naam voor een album waarop de lange, donkere dagen van een IJslandse winter in twaalf tracks weerklinken. Björk maakt onder andere muziek met het geluid van een voetstap op een laag pas gevallen sneeuw.

Wat een verademing, dacht ik, om vast te stellen dat er een plek op de wereld bestaat waar mensen niet neerkijken op het koudste seizoen van het jaar. In eigen land vind ik zelden bijval voor mijn appreciatie voor de winter. Zodra de temperatuur hier onder nul gaat, vervalt mijn omgeving in een collectieve depressie. Waar komt die weerzin vandaan? We kunnen op dat vlak nog iets van die flexibele IJslanders leren.

Huis en schapen

Uitgeverij Random House koos voor de cover van mijn editie van Independent People het schilderij Huis en schapen van Louisa Matthíasdóttir. Op de voorgrond grazen drie schapen in een heuvelachtig landschap, op de achtergrond staan evenveel huisjes aan het water in de oksel van een fjord. Veel schilderijen van Matthíasdóttir zien eruit als blokkendozen. Ze veegt de kleurnuances weg in de glooiende weides, de wollige pelzen, de kabbelende zee en de ruwe bergruggen. Elk element geeft ze in monochrome kleurvlakken weer. Ze toont het landschap zoals het in een herinnering wordt bewaard.

Matthíasdóttir moet beseft hebben dat het onmogelijk was haar geboorteland tot in detail te schilderen. Wie wil zien hoe het echt is, boekt beter een vliegtuigticket om zelf te gaan kijken. Ze voelde echter wel, zoals zoveel andere landgenoten, de impuls om IJsland op haar manier te tonen. Met verf hield ze een landschap, tijdelijk en binnen het kader van een schilderij, in bedwang.

Na mijn rondreis voelde ik eenzelfde drijfveer, al bediende ik me van een pen in plaats van een penseel. Ik kon niet zwijgen over wat ik allemaal had meegemaakt, ik moest erover schrijven. Ik voelde me een IJslander, ik wilde IJsland zijn. De literatuur had me misschien niet naar daar gebracht, maar ik had wel de literatuur in en van het land gevoeld en gezien. Dat laatste mag je zelfs letterlijk nemen: het werk van Laxness werd overal, ook in tankstations, te koop aangeboden.

De wortels gevoeld

Tijdens de piek van mijn obsessie droomde ik van een verhuizing naar IJsland, maar nu, zeven jaar later, weet ik dat het bij een droom zal blijven. Het werk van IJslandse auteurs en ook de blogs van expats die in Reykjavík wonen, laten er geen twijfel over bestaan: de winters zijn zwaar. Het valt niet mee tijdens de donkere maanden optimistisch en levenslustig de dag door te komen.

Ik voel ook niet langer de nood om tijdens de winter elders te vertoeven. De Belgische variant bevalt me prima, net zoals het licht, de hitte en het zweet van onze zomer. Ik ben te veel en te graag in mijn eigen grond geworteld om er voorgoed van weg te lopen. De plek waar ik me geworteld voel, beschouw ik als een uitvalsbasis (en niet als een gevangenis). Vanuit die basis wil ik overal naartoe gaan en me, afhankelijk van mijn gemoedstoestand, kunnen afzonderen van of verbinden met dingen of mensen.

De obsessie voorbij

Liefde durft al eens in haat om te slaan, ook een obsessie ontsnapt daar niet aan. Het verging mijn verhouding met IJsland net zo. Op de duur kon ik niets meer lezen, horen of zien dat met het land had te maken. Mijn roman die zich hoofdzakelijk in IJsland afspeelt, dumpte ik in een lade. Ik werd al misselijk van er gewoon aan te denken.

Tevergeefs koesterde ik de hoop dat de grens tussen mezelf en het eiland zou vervagen. Hoe dichterbij ik kwam, hoe duidelijker grens zich aftekende. Het was geen lijn op een landkaart, maar een blokkade waar ik van mijn leven niet overkwam. Ik zou nooit een IJslander worden, ik zou nooit IJsland zijn.

In het beste geval herken ik af en toe mijn ervaring als reiziger in de woorden van een IJslandse schrijver, zoals vorige week toen ik de eerste bladzijden van Independent People herlas. De vanzelfsprekendheid waarmee Laxness zijn personages over het land en de zee loodst, zal nooit de mijne zijn. De hardheid van het vissersleven zal voor mij, alle research ten spijt, onbegrijpelijk blijven.

Anders zijn

IJslanders cultiveren graag hun identiteit en dat levert hen soms kritiek op. Ze worden als conservatief of nationalistisch bestempeld. Ik beschouw hun houding als een logisch gevolg van hun koppigheid, creativiteit of eilandmentaliteit. Hun blik is daarbij zowel op het verleden als op de toekomst gericht. Neem bijvoorbeeld de taal. IJslanders zullen zelden zomaar een woord uit het Engels overnemen. In de meeste gevallen plakken ze op een nieuwe uitvinding een al even nieuw, IJslands woord. Ze boren hun vindingrijkheid aan en ontwikkelen tegelijkertijd hun identiteit.

Anders zijn is in IJsland eerder regel dan uitzondering. Wie in Reykjavík rondloopt, waant zich op een filmset. De inwoners lijken op acteurs. Afhankelijk van hun humeur en de weersgesteldheid nemen ze een bepaalde rol op met een bijbehorend kostuum. Als ze met een uitgestreken gezicht verklaren dat ze in trollen geloven, hoor ik hen inwendig gniffelen. Hun prioriteit ligt niet bij de waarheid, maar bij het vertellen en doorgeven van verhalen. Als een trol het publiek helpt een verhaal makkelijker in het collectieve geheugen te prenten, dan staat het de verteller vrij zich van die figuur te bedienen.

Wat is echt? Wat is gespeeld? De IJslanders houden de balans graag in evenwicht en geven geen antwoord.

Op de grens neergelegd

Ik probeer niet langer de grens te overschrijden en leg me neer daar waar de zee in het land overgaat. Ik wacht en kijk met afstandelijke nieuwsgierigheid naar wat er zich aan de andere kant afspeelt. Ik zie wat me zoveel jaren geleden heeft geprikkeld en hervind langzaamaan mijn interesse. De zin om IJsland te zijn keert niet meer terug. We appreciëren elkaar van op een afstand, toch heb ik het gevoel dat we nooit dichter bij elkaar hebben gestaan. Het duurt nu niet lang meer voor ik me omdraai en mijn eigen tuin om de hals vlieg.

Een tijdje geleden speelde ik met het idee naar IJsland terug te keren om daar ooit het laatste essay voor In plaats van een roman te schrijven. Het leek me juist om op die manier de blogs af te ronden omdat het eiland me onrechtstreeks in de richting van deze reeks heeft geduwd. Nu weet ik dat de handen die ik in mijn rug voelde mijn eigen handen waren.

Ik hoef niet naar IJsland te reizen om de ontbrekende sleutel van In plaats van een roman te vinden. Ik weet wat ik daar zal zien, ik weet wat me daar opnieuw zal intrigeren en inspireren. De deur staat al open: de essays zijn hier, dicht bij mij - een onontgonnen terrein dat ik woord voor woord wil ontdekken. Al schrijvende wil ik het gras en asfalt onder mijn voeten doorgronden. Ik had alleen een omweg via IJsland nodig om dat in te zien.

Lees ook:
Een trein
Een bloem
Een klok

dinsdag 23 juni 2015

In plaats van een roman (een klok)


De tijd vliegt ... of kruipt. Toch duurt elk uur, volgens de klok, even lang. De manier waarop ik de tijd beleef, verschilt met andere woorden van de manier waarop de tijd door een klok wordt aangegeven, een instrument dat vooralsnog de orde van de dag ingrijpend bepaalt. Die almacht kan me soms erg irriteren. Er valt alleen mee te leven als ik die korte en lange wijzer af en toe het zwijgen opleg. 

Op zoek naar de vertraagde tijd 

De tijd gaat alsmaar sneller voorbij, althans dat gevoel heb ik. Soms lijkt het of de klok een spel met me speelt en dagen, weken of maanden van me steelt als ik even niet kijk. De kalender laat er echter geen twijfel over bestaan: elk jaar telt ongeveer evenveel dagen.

Als kind ervoer ik de tijd als een slak. Een zomervakantie leek eindeloos te duren. Ik gaf me over aan luiheid en verprutste uur na uur. Ik sliep lang, at als ik honger had, schommelde wat, keek urenlang televisie en liep in de tuin achter de honden aan. Elke nieuwe dag leek op de vorige en de volgende, en dat vond ik prima.

Als van dat stramien werd afgeweken, was ik het helemaal het noorden kwijt. Variatie onderbrak de roes van de vakantie, bijvoorbeeld wanneer mijn ouders het idee kregen een uitstap te maken. Ik wilde helemaal nergens naartoe. Ik voelde me op mijn best wanneer ik steeds dezelfde dag opnieuw beleefde.

Ik kan me nu niet meer voorstellen dat ik mijn vrije dagen op die manier doorbreng. Tegenwoordig is er een stemmetje in mijn hoofd dat me aanmaant tijdens vakanties eindelijk werk te maken van plannen die ik de rest van het jaar voor me uit heb geschoven met als excuus: te druk.

De onbevangen blik

Robert E. Ornstein, een Amerikaanse psycholoog, stelt dat ik kan terugkeren naar de intense, trage tijdsbeleving van mijn kinderjaren door zoveel mogelijk nieuwe ervaringen op te zoeken. Hoe complexer die nieuwe ervaringen zijn, hoe beter ik erin zal slagen de tijd te vertragen. Voor een kind is alles wat het ziet nieuw, voor een volwassene meestal niet. Het komt erop aan opnieuw met een onbevangen blik naar nieuwe ervaringen te kijken.

Er valt wat voor dat advies te zeggen, was mijn eerste reactie. Tot ik er mijn agenda bijnam en vaststelde dat ik Ornsteins woorden reeds ter harte nam. Mijn weekends zijn gevuld met leuke, afwisselende, verrassende en complexe ervaringen, maar toch heb ik, meer dan ooit, het gevoel dat de tijd voorbij raast.

Weg van Facebook

Nu de schommels en honden uit mijn leven zijn verdwenen, ben ik voor de herhaling op mijn verbeelding aangewezen. Tijdens momenten van reflectie spoel ik de tijd terug, beleef ik een voorval opnieuw en kan ik de feiten (her)interpreteren. Een stortvloed aan nieuwe, externe impulsen vreet echter mijn tijd voor contemplatie op. Mijn hoofd is niet staat om zoveel nieuwe indrukken op te slaan, en zeker niet als ze zich in een ononderbroken stroom aan me opdringen.

Ik houd niet voor niets de aanmaak van een Facebookprofiel al jaren af. Ik hoef geen x aantal updates of nieuwtjes per dag. Toch vermoed ik dat ook ik op een dag voor het medium zal zwichten en me zal voornemen om er elke dag maximum vijf minuten aan te wijden, om vervolgens vast te stellen dat de ene na de andere avond voorbijvliegt omdat ik me zot klik van ervaring 1, naar 2, naar 3, etc.

Ook zonder Facebook raak ik verstrikt in te veel ja. Ik wil te veel zien, horen, weten. Ik moest maar eens een interessante website, citytrip, boek of film mislopen. Het laatste wat ik wil is me thuis opsluiten en nestelen in een prikkelvrij leventje. Ik geloof in de kracht van ontmoeting. Als ik die uit de weg zou gaan, zou ook mijn inspiratie en levenslust opdrogen. De ontmoeting met iets of iemand anders zet me aan het denken, dwingt me om een standpunt in te nemen - ik leer en moet mezelf tonen.

De tijd tikt terug

Het woord ontmoeting kun je in mijn geval breed opvatten. Het maakt voor mij geen verschil uit of ik iemand op een feestje fysiek tegen het lijf loop of op een bank in het park voor me uit staar; ik voer altijd gesprekken. Als ik een duik in mijn herinneringen neem, maak ik opnieuw contact met een voorval uit het verleden, en bijgevolg ook met alles en iedereen die daarin voorkomen.

Ik ben het dan ook oneens met het advies van Ornstein dat me enkel aanspoort zoveel mogelijk nieuwe ervaringen te verzamelen. Ik pleit voor de juiste maat tussen het het opzoeken van nieuwe prikkels en het binnenstebuiten keren van herinneringen.

Lees ook:
Een bibliotheek
Een trein
Een bloem

zondag 7 juni 2015

In plaats van een roman (een bloem)


Draag jij de literatuur met een grote L een warm hart toe? Dan is er geen ontkomen aan de openingszin van Mrs Dalloway van Virginia Woolf. Die fameuze openingszin is niet de enige reden waarom de roman tot een klassieker uitgroeide. Het verhaal van Clarissa Dalloway overstijgt de tijd, en dat laatste mag je vrij letterlijk nemen. Woolf vond in Mrs Dalloway een ideaal vehikel om iets te zeggen over de verhouding tussen de mens en de tijd. 

Mrs Dalloway said she would buy the flowers herself

Wellicht de verrukkelijkste zin die uit de pen van Virginia Woolf vloeide. Ik zoek hem op, lees hem en herlees hem. Minstens even vaak dient de zin zich onverwacht aan, bijvoorbeeld wanneer ik wakker word, een boek lees of voor de etalage van een bloemist sta.

Ook de Nederlandse filosofe Joke J. Hermsen laat zich door Woolf inspireren, onder andere in haar essaybundels Stil de tijd en Kairos. Ook zij blijft hangen bij de eerste zin van Mrs Dalloway. Hermsen stelt dat die zin meteen heel veel zegt over Clarissa Dalloway, het hoofdpersonage. Het moet wel om een dame uit de gegoede klasse gaan. Uit Clarissa's uitspraak blijkt immers dat haar bloemen in regel door iemand anders - een bediende? - worden gekocht. Op die ene schitterende dag beslist ze om zelf in de Londense drukte te duiken en de bloemen zelf te kopen.

Vooralsnog koop ik mijn bloemen altijd zelf. De opbrengst van mijn schrijverij, of het gebrek daaraan, laat me voorlopig niet toe om een bediende erop uit te sturen. Clarissa Dalloway wendt zich tot een bloemist voor haar bloemen, terwijl ik de mijne uit een emmer pluk aan de ingang van een grootwarenhuis.

De klok van Clarissa en Septimus

Clarissa en ik verkeren dan wel in andere kringen, toch is er ook iets dat we delen: we weten ons geen raad met de klok. Aan het begin van Mrs Dalloway bruist Clarissa van de energie. Ze laat zich graag door de stad overspoelen. Ze associeert, mijmert en dagdroomt erop los. Of toch tot zolang Big Ben niet van zich laten horen. Op gezette tijden herinnert zijn gebeier Clarissa aan het doel van haar wandeling: bloemen. Ze geeft die avond een feest en alles moet er perfect uitzien. De Londense beau monde verwacht niet minder van haar. Hoe vaker Big Ben slaat, hoe gejaagder ze door de straten loopt.

Clarissa's tegenpool, de oorlogsveteraan Septimus Warren Smith, zit rond diezelfde tijd met zijn vrouw Lucrezia in het park. Hij lijdt aan een posttraumatisch stressstoornis en heeft last van hallucinaties waarin zijn overleden vriend Evans de hoofdrol speelt. Zijn leven wordt beheerst door de oorlog en de slagvelden uit het verleden. Kan Clarissa het tempo van Big Ben bijhouden? Redt Septimus zich in het heden? Op de eerste vraag laat de roman ons in het ongewisse. Op de tweede vraag luidt het antwoord neen: Septimus pleegt zelfmoord.

Woolfs zinnen lijken wel golven. De ene zin rolt uit de andere. Ze verdeelt Mrs Dalloway in hoofdstukken, gebruikt hoofdletters en leestekens, maar door het vloeiende karakter van de taal en het verhaal lijkt de roman uit één lange zin, één beweging, één ademhaling te bestaan. Woolf kruipt in het hoofd van Clarissa en Septimus en laat hun gedachtegang pas los wanneer ze het laatste punt zet. Beide personages beleven dezelfde dag op een totaal andere manier. Voor de ene raast de tijd voorbij, voor de andere lijkt het verleden zich steeds opnieuw te herhalen. Woolf focust zich op hun innerlijke tijd - de tijd zoals die door Clarissa en Septimus wordt beleefd.

De almacht van de kloktijd

Woolf zet in Mrs Dalloway de verhoudingen tussen kloktijd en innerlijke tijd op scherp. Ze geeft haar lezers geen uitdrukkelijke boodschap mee, toch bespeur ik enige argwaan tegenover Big Ben, de klok die Londen eraan herinnert dat de tijd ongenadig verder tikt. Nu, negentig jaar na de publicatie van Mrs Dalloway, dicteert de kloktijd het leven van alledag. Het is nog maar de vraag of we daar zo gelukkig mee zijn. We denken alles te weten door te meten. De onderzoeksresultaten moeten ons aanzetten onze kloktijd nog efficiënter te gebruiken. Elk mens is een wandelende deadline geworden.

Moest Woolf nog leven, ze zou er vast iets over te zeggen en te schrijven hebben. Joke J. Hermsen, draagt in Kairos haar steentje bij aan het debat. Zij pleit voor een samenleving waarin de tijd tussen in- en ontspanning evenwichtig wordt verdeeld. Verveling is de ideale voedingsbodem voor creativiteit, en tijdens creatieve momenten vergeet je dat er zoiets bestaat als een klok. Tijdens het creatieproces weekt de creatieve geest zich als het ware los van de kloktijd.

Efficiënte literatuur

De hang naar efficiëntie, naar iets wat met een klok te meten valt, beïnvloedt de manier waarop we met literatuur omgaan. Onze eerste kennismaking met verhalen speelt zich af op de plek waar we opgroeien. Ouders, broers, zussen of vrienden vertellen ons ongedwongen over hun doen en laten. Zodra we op de schoolbanken zitten, moeten we ons plots door spelling- en grammaticalessen worstelen. Literatuurlijsten schrijven voor wat we moeten lezen. In het slechtste geval is er ook nog een docent die zijn interpretatie van het verhaal opdringt en verwacht dat we die interpretatie op het examen reproduceren. Het ervaren van verhalen door ze zelf te vertellen, lezen, schrijven of interpreteren verdwijnt naar de achtergrond.

Bibliotheken werken dan weer het categoriseren van literatuur in de hand. Ze plakken symbolen, cijfers en letters op de boekenruggen zodat je makkelijk en snel vindt wat je zoekt. Zou Google daar de mosterd voor zijn algoritmen hebben gehaald? Enige efficiëntie staat me niet tegen, maar waarom durven we niet meer tussen boeken of op het internet te verdwalen? Zijn we bang dat een roman of zoekresultaat ons wereldbeeld op de helling zet? Wat ons tegenwoordig online wordt aangeboden dient in de eerste plaats om ons te behagen, niet om onze kennis te verbreden.

Het hekwerk voorbij

Als literatuur een tuin is, dan zijn spelling, grammatica en leeslijsten het hekwerk. We klampen ons vast aan de spijlen en zien Clarissa Dalloway en Septimus Warren Smith aan de andere kant wandelen. We willen weten wie ze zijn, maar moeten wachten tot iemand ons de sleutel van de poort geeft.

We kunnen ook gewoon over het hek klimmen.

Dat was wat ik - vele jaren na mijn laatste, officiële taalles - deed. Zodra die hindernis was genomen, wierp ik mezelf op alles wat met lezen en schrijven had te maken. Eindelijk ontmoette ik Clarissa en Septimus, maar ook Emma Bovary, Constance Chatterley, Fjodor Karamazov en Anna Karenina. Of ik alles bij een eerste lezing begreep? Welnee. Maar dat belette me niet om van al die klassiekers te genieten. Een boek als Mrs Dalloway prikkelde mijn zin om zelf te schrijven, en tijdens het schrijven groeide mijn interesse in taal. Ik wilde juist, helder en correct schrijven. Daar zouden mijn teksten alleen maar beter van worden. Mijn liefde voor taal groeide uit mijn liefde voor het verhaal.

Lees ook:
Veel tuinen
Een bibliotheek
Een trein

maandag 25 mei 2015

In plaats van een roman (een trein)


Mijn geheugen is een zeef, zéker als het gaat om de boeken die ik ooit heb gelezen. Waarover ging dat verhaal ook alweer? Het zou niet de eerste keer zijn dat die uitspraak uit mijn mond komt. Vergeet ik werkelijk alles wat ik lees of kan ik de inhoud van een boek, als het echt moet, terug opvissen? 

Lezen is vergeten

Voor ik aan dit bericht begon, onderwierp ik mezelf aan een test. Ik ging voor mijn boekenkast staan en probeerde me te herinneren waar ik elk boek had gekocht. In de meeste gevallen moest ik het antwoord schuldig blijven. Als je me zou vragen wat de belangrijkste thema's van elk boek waren, zou ik ook daarop geen antwoord kunnen geven. In het beste geval kan ik je vertellen hoe ik me voelde terwijl ik het las. Een plot schijnt niet langer dan 24 uren in mijn brein te blijven plakken. Zo kwam ik onlangs te weten dat Constance Chatterley op het einde van Lady Chatterley's Lover niet helemaal ten onder gaat, of toch niet zo erg als ik me herinnerde.

Mijn vergeetachtigheid is niet nieuw en beperkt zich niet tot mijn ervaringen als lezer. Ik heb een verschrikkelijk geheugen als het om het onthouden van verjaardagen, feestdagen of belangrijke historische feiten gaat. Dat leidt tot vervelende situaties met familieleden, op het werk en op examens. De Guldensporenslag, was dat niet in 1312? Wikipedia zegt: 1302.

Ik droom van een zolder met een groot dakraam, houten balken, witgeverfde muren en een gebeitste plankenvloer. Onder het raam wil ik een oude, cognackleurige chaise longue met daarnaast een laag tafeltje voor een kop koffie, een balpen, een notablok en een goed boek. Een ideale plek om urenlang te lezen. Ik maak mezelf iets wijs. Als die plek al zou bestaan, zou ik er niet aan lezen toekomen, of toch niet urenlang. Thuis lees ik het minst. Thuis is er altijd zoveel (te veel?) te doen. Wie mij al lezend wil betrappen, zoekt me beter op een trein. Een trein is misschien een weinig idyllische leeslocatie, maar dat maakt me weinig uit. Tijdens het lezen draait alles om de wereld die een schrijver oproept, en niet om de plek waar ik zit of sta.

Hoofd ontspoord

Naast mijn aangeboren vergeetachtigheid heb ik ook last van een aangeboren onvermogen om me langdurig op één ding te concentreren. Ook de trein is rijk aan afleiding in de vorm van andere passagiers, treinbegeleiders of het voorbijglijdende landschap. Het grootste afleidingsmanoeuvre zit echter in mijn hoofd. Ik lees een zin of alinea in een boek en vrijwel onmiddellijk komt er in mijn brein een gedachtestroom op gang. Een half uur later besef ik dat ik de hele tijd naar het klaptafeltje of de noodrem heb gestaard. Het boek ligt, enigszins verontwaardigd, opengeslagen op mijn schoot.

Ik heb ook de gewoonte om meerdere boeken mee te nemen. Meestal een roman, een essay en een dichtbundel, aangevuld met gevonden kranten of magazines. Als ik mijn aandacht niet bij een tekst kan houden, dan neem ik wat anders uit mijn rugzak. Ik lees een boek zoals ik op het internet surf. Als iets me verveelt, switch ik naar een andere papieren of digitale pagina.

Ik zou ergens anders kunnen lezen en ik zou een aandachtiger mens kunnen worden, maar uiteindelijk blijft alles bij het oude. Mijn leesattitudes zijn weinig bevorderlijk voor een coherente leeservaring of een coherent verhaal over die ervaring. Mijn boeken en ik zijn mobiel. Als je wilt weten waar ik een verhaal las, dan moet ik je alle haltes opnoemen waar mijn trein is gestopt, en vooral ook alle akkers, gehuchten en industrieterreinen waar ik ben doorgereden.

Een lezer in beeld

Iemand die zich in een mensenmassa in een boek verdiept is een dankbaar onderwerp voor fotografen. De lezer fixeert zijn ogen op het blad. Voor en achter zich drummen mensen, maar daarvan is hij zich amper bewust. Wat telt is het verhaal. Het fysieke lichaam lost langzaam op en komt onstoffelijk tussen de regels van het boek weer tevoorschijn.

Laat me even terugkeren naar de zolderkamer van mijn dromen. Stel je voor dat ik daar een camera neerzet en mezelf een uur lang film terwijl ik een boek lees. Saai, hoor ik je denken. Op het eerste gezicht wel. Toch is een lezer minder statisch dan je zou denken. Ik zou meer doen dan ademen en bladeren. Afhankelijk van het boek zouden mijn schouders gespannen of ontspannen zijn. Lezen doe ik ook nooit met een uitgestreken gezicht. De spieren van mijn gelaat zijn voortdurend in beweging. Soms betrap ik mezelf erop dat er tijdens het lezen een brede glimlach op mijn lippen ligt.

Zoals het eigenlijk heurt 

Een van mijn mooiste leeservaringen beleefde ik in een tuinhuis uit de achttiende eeuw. Tegenwoordig denkt iedereen bij het woord tuinhuis aan een gammel schuurtje waarin harken, bloembollen en grasmaaiers dutten als ze niet van dienst zijn. Drie eeuwen geleden werd het woord echter in een letterlijke betekenis gebruikt: een tuinhuis was een huis in de tuin. Het gold als een bijhuis van de woning, maar het lag dieper in de tuin. Tijdens de lente- en zomermaanden vertoefden de bewoners in het tuinhuis om de tuin vanuit een ideaal gezichtspunt te bewonderen.

Dezer dagen is het tuinhuis een b&b. Een idylle, alleen kon ik er de slaap niet vatten. Ik had te veel gegeten of te laat op de avond koffie gedronken (of allebei). Iets na middernacht kwam ik uit bed. Ik ging naar de benedenverdieping en zette me in een armstoel neer. De nacht had de hoge ramen in zwarte rechthoeken veranderd. Af en toe liet de wind een tak tegen een venster tikken. Op de tafel lag Stoner van John Williams. Ik zette een pot thee en las. Omstreeks twee uur was de thee koud geworden en klapte ik het boek dicht. Mijn ogen waren zwaar van de slaap. Ik had er niet aan toe willen geven voor ik de laatste zin had gelezen. Ik keerde terug naar mijn bed en sliep tot ik door het ochtendlicht werd gewekt. Door het raam zag ik de lucht door de kruisroeden verdeeld in lichtblauwe vierkanten. Het zou een prachtige dag worden.

Lezen omdat we niet vergeten 

Waarom dan nog lezen als ik naderhand niet meer weet waar ik het boek kocht of las, als ik vergeet waarover het gaat? We worden er slimmer van, zegt de wetenschap. Voor het plezier, zeg ik. Omdat we niet vergeten, wil ik daaraan toevoegen. Een gezicht, een uitspraak, een naam, een jas, een bloem, een kat, etc; alles kan een trigger voor mijn geheugen zijn. Plots herinner ik me dan een boek dat ik jaren geleden las. Als ik de eerste pagina's van de desbetreffende roman herlees, komt de rest van het verhaal er als een vloedgolf achteraan. Ik dacht dat ik het was vergeten, maar het zit nog steeds allemaal ergens in een laatje in mijn geheugen. Ik heb alleen die trigger nodig om het sleuteltje te vinden.

Waarom zou ik me zorgen maken over herinneringen die enkel van zich laten horen wanneer ze ertoe doen? Leeservaringen lijken eerder op cadeautjes dan kwelgeesten. Ze pakken zichzelf regelmatig opnieuw in en bieden zich op een later moment als nieuw bij me aan. En wat nog leuker is: hun gulheid beperkt zich niet tot mijn verjaardag of kerst. Ik lees en vergeet, herlees en herinner, en vergeet weer. Daar kan ik, alles in beschouwing genomen, best mee leven.

ps: Lees ook de blogs van Bibliofilos en Boekenliefhebber. Zij inspireerden me voor het schrijven van dit bericht.

Lees ook:
Geen tuin
Veel tuinen
Een bibliotheek

maandag 18 mei 2015

In plaats van een roman (een schilderij)


Beste mijnheer Chagall,

Mag ik Marc zeggen? Ik zou me die vrijheid durven veroorloven. Op foto ziet u eruit als een toffe peer. Om uw nabestaanden niet te bruuskeren, houd ik het liever bij mijnheer Chagall. U was een groot schilder en verdient het om met respect te worden benaderd, nietwaar?

Kunst en conflict, een spannende combinatie. Het thema op het doek moet de vlammen uit het hoofd van de schilder, en later van de toeschouwer, doen slaan. Een interessant uitgangspunt is het halve werk. Maar wat met conflictloze kunst? Heeft die geen bestaansrecht? Toch wel, maar dan moet er iets anders zijn dat de aandacht vasthoudt. De liefde bijvoorbeeld. Een thema als een slappe koord. Dat had u, mijnheer Chagall, goed begrepen. U schilderde schoonheid, blijdschap en geluk, en liet zich daarbij nooit tot sentimentaliteit verleiden. Chapeau! Het grote publiek weet dat te appreciëren. Hoe verklaart u anders dat uw schilderij De wandeling de posters, toegangstickets, catalogi, postkaarten, notitieboekjes, kalenders en dienbladen van de Expo Chagall in Brussel siert?

Op De wandeling staat uw evenbeeld van verf met de voeten in het gras. Uw vrouw Bella wappert in de rechterbovenhoek van het doek. U bent de vlaggenstok, zij de vlag. Voor de gelegenheid hebben jullie de beste kleren uit de kast gehaald: u draagt een kostuum met een wit hemd, Bella een zwierige jurk. Wandelschoenen en een stafkaart zijn niet aan jullie besteed. Het gaat niet om een wandeling waar de kilometers tellen, maar om een verleidingsdans tussen twee jonge, verliefde mensen. Jullie nemen elkaar en de wereld waar met een verhoogde alertheid. Jullie breken alles en iedereen in felgekleurde rechthoeken, trapeziums en driehoeken. Het gras is groener dan groen, het picknickdeken roder dan rood. Uw kostuum is inktzwart, Bella's jurk stralend magenta. De heldere hemel zindert kubistisch. De vorm van uw puntige, witte kraag herhaalt zich in de daken van de huisjes op de achtergrond. Een trapezium-plooi in Bella's jurk keert terug in een lap gras. Jullie gaan op in elkaar en het landschap. Voorzichtig met die brede glimlach op uw gezicht. Straks scheuren uw mondhoeken!

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werden de kleuren in uw werk donkerder en de thema's zwaarder. De oorlogsjaren moeten voor u, een man van Joodse afkomst, een verschrikking zijn geweest. Ik ken Hitler enkel uit kranten, boeken, documentaires en films. Voor u was het nazisme en het antisemitisme een realiteit. Om uw leven en werk te redden vluchtte u naar Amerika. In 1944 zou Bella daar onverwacht overlijden. Op uw schilderijen uit die tijd tuimelen hanen, geiten en koeien over elkaar. Ik ben niet vies van een beestenboel, integendeel. Mijn poëzie is bij tijd en wijlen een ark van Noah. Wie ben ik om een ander zijn dieren te ontzeggen? Alleen gaat het er in uw dierentuin wel erg grimmig aan toe, vooral wanneer de opzichters van dienst bestaan uit vallende engelen, zwevende Christussen en vluchtende rabbijnen met Thora-rollen in de armen geklemd.

Het werd me allemaal een beetje te veel. Ik hoop dat ik u niet kwets, mijnheer Chagall, als ik zeg dat ik uit uw tentoonstelling wilde ontsnappen. Een kunstenaar hoeft me allerminst te behagen. Kunst mag me lastigvallen en irriteren. Hoe meer, hoe beter. Daarin bent u alvast geslaagd. Dertig jaar na uw dood beweegt uw oeuvre me tot het schrijven van deze brief. Een goed kunstwerk overstijgt de maker en de periode waarin het is gemaakt. In uw werk vind ik een beeld dat perfect weergeeft wat ik bedoel: de gevleugelde klok. Die klok, het is me wat. Ze heeft op haar houten rug uw werk naar 2015 meegevoerd. Uw schilderijen hangen nu in chronologische volgorde aan de muren van het Koninklijk Museum. Tegenwoordig moeten ze het opnemen tegen de schermen van televisies, computers, tablets en smartphones. De digitale revolutie heeft ervoor gezorgd dat een mens dagelijks door beelden wordt overspoeld. Het ene al schreeuweriger dan het andere. Kijk ik naar het journaal, dan ligt de miserie voor het rapen, van Nigeria tot Oekraïne en weer terug. Het is alsof ik naar uw schilderijen kijk, maar dan met andere hoofdrolspelers. Ik raak stilaan verzadigd van oorlog. Oorlog is hot news. Oorlog is sexy geworden. Mensen winnen prijzen met oogstrelende oorlogsfotografie. Bah, ik hoef het allemaal niet meer (op die manier) te zien. Uw schilderijen snijden dieper. Ze veranderen een slagveld niet in een feeërieke locatie voor een film of fotoshoot. Ze dringen zich in al hun hevigheid en gruwelijkheid aan me op. Desondanks, mijnheer Chagall, raak ik van die verzadiging niet af. Zelfs oprechte oorlogskunst is er dezer dagen te veel aan voor mij.

Ik heb goesting in schilderijen die ik als een warm deken om me heen kan leggen, zoals uw Interview met bloemen. U schilderde een witte kamer die baadt in het ochtendlicht. Op de tafel staat een grote vaas waarin iemand losjesweg groene takken met lange bladeren heeft geschikt. Elke tak eindigt in een trosje roze bloemen. Naast de vaas liggen enkele bladen papier. Afgaand op de titel leek het alsof de bloemen zich tot lippen zouden plooien om me een vraag te stellen. Ergens tussen de bladeren zou een tak een pen tevoorschijn toveren om mijn antwoorden te noteren. De vaas nam mij op, trok me in het doek. Ik was geen toeschouwer meer, maar maakte deel uit van het schilderij.

De kunst van het stilleven is onderschat, vindt u niet? Toch kan iedereen - leek of kenner - een goed van een slecht stilleven onderscheiden. Een goed stilleven beweegt, zelfs al staat alles op het doek doodstil. De afgebeelde objecten spreken tot me, of beter nog: ze helpen me woorden te vinden voor iets waar ik tot dan toe geen woorden voor vond. Ze weken me los van de realiteit en scheppen een ruimte voor reflectie. Een slecht stilleven is een verzameling rottende groenten, fruit, planten of fazanten. Ik moet hierbij denken aan wat Vita Sackville-West zei over de kunst van het schrijven van een tuincolumn:

It is very difficult to write about flowers. (...) Before I tried my hand at it myself, I had done nothing but rail against those who were trying to do the same thing. I found myself losing my temper frequently with the nauseating sentimental phraseology which seems to impose itself on all those otherwise sincere and honest gardeners who feel impelled to transmit their knowledge and experience  and emotions to other and more ignorant people. (...) It is very difficult indeed to write about flowers.

Uw werk zou haar goedkeuring wegdragen. De natuur behoeft weinig opsmuk, daar zorgt ze zelf wel voor. Een roos is een roos. Het woord laten vallen of de bloem schilderen volstaat om er één te doen bloeien in de verbeelding van een luisteraar of kijker. Uw Interview met bloemen is nergens sentimenteel. Ik zie vooral veel liefde voor schoonheid, blijdschap en geluk, net zoals in De wandeling. U voegde ook een fijn extraatje toe: humor. Wat een verademing! Ik voelde me waarlijk een beetje idioot toen ik tijdens de research voor deze brief zag dat ik de titel van het schilderij in het museum verkeerd had gelezen. De juiste titel is Interieur met bloemen. In vergelijking met mijn interview klinkt dat nogal platjes. Beste mijnheer Chagall, mag ik aandringen op een naamswijziging? We moeten het er bij gelegenheid eens over hebben. Dat moment dient zich ooit aan. Ik geloof erin. Ik kan een erg geduldig mens zijn als het moet.

Bien à vous, 

Ward

Lees ook:
Een brief
Een vaas
Een kopie

zondag 3 mei 2015

In plaats van een roman (een kopie)


Beste A.,

Ik verbreek met dit bericht een stilzwijgende afspraak, of op z'n minst een gewoonte: in regel communiceren wij kort en bondig. Soms bestaan onze gesprekken slechts uit een handvol woorden, liefst zelfstandige. Werkwoorden zijn immers overgewaardeerd.

Het zijn moeilijke tijden. Vroeger wierpen we elkaar face to face of aan de telefoon woorden toe, de laatste tijd steeds vaker via voicemail. Onbereikbaar zijn, het luxeproduct van 2015? Jij interpreteerde de evolutie van onze contacten anders: via voicemail schreven we een briefroman (les appels téléphoniques dangereuses?). Doe mij maar een echte brief, weliswaar digitaal. Zullen we eraan beginnen?

Deze week brak ik mijn hoofd over het leven, de kleur wit, de schrikbarende lengte van het gras en een advies dat me ooit door een schrijfdocente werd gegeven. Ik dacht: met dat advies wil ik A. ook eens lastigvallen. Twee brekende hoofden zijn gezelliger dan één.

Schrijf over wat je kent. 

Een overpeinzing waard. Ik kon er alleen weinig mee. Schrijven over wat ik ken? Wie wil dat lezen? Mijn leven is perfect gemiddeld. Geeuw. Ondanks mijn verzet, gaf ik het advies een kans. Resultaat: veredelde dagboekfragmenten. Mijn taal was gênant, mager en saai. Als tegenreactie nam ik een duik in de verbeelding. Ik bedacht verhalen die zich afspeelden in vreemde oorden en liet mijn personages in absurde situaties terechtkomen. Ik amuseerde me rot, maar stelde na een tijdje vast dat die verhalen in hetzelfde bedje ziek waren als mijn duffe dagboekschrijfsels: het ging nergens over. Rond die tijd maakte een andere leermeester me wijs:

Je moet de arrogantie hebben iets toe te voegen aan wat al is geschreven.

Die arrogantie is me vreemd. Het valt niet mee mijn teksten naast die van Lev Tolstoj, Gustave Flaubert of Virginia Woolf te leggen. En dan heb ik nog het geluk dat ik geen Amerikaan ben die the next great American novel moet schrijven. In de Lage Landen zijn de ambities van bescheidener aard.

Moeilijk. Moeilijk.

Misschien maak ik het mezelf makkelijker door naar schrijvers van mijn generatie te kijken? Neem Philip Huff. In zijn Boek van de doden lijdt het hoofdpersonage - een 29-jarige schrijver - aan een depressie. Hij zit aan de pillen, neukt, zuipt en snuift. Het verhaal baadt in een nihilistische sfeer. Een dagblad noemde hem de stem van een generatie. Welke generatie? Ik herken me niet in zijn taal. Huffs onderkoelde stijl vertoont meer gelijkenissen met de manier waarop onze generatie in televisieseries of films in beeld wordt gebracht. Zelfs wat lelijk of pijnlijk is, wordt op een scherm al snel glamorous. De makers leggen voldoende linken naar de realiteit om ons te doen geloven dat we naar een afspiegeling van ons eigen leven kijken. Ook Huff speelt met die grens tussen feit en fictie.

Edouard Louis, een 22-jarige Fransman, debuteerde vorig jaar met het autobiografische Weg met Eddy Bellegeuele. Daarin beschrijft hij zijn jeugd in een arm arbeidersgezin in Picardië. Wanneer Louis ontdekt dat hij zich tot mannen aangetrokken voelt, belandt hij in de hel. Hij onderdrukt de verlangens van zijn lijf en probeert aan de verwachtingen van zijn omgeving te voldoen. Hij gedraagt zich krampachtig mannelijk. Dat lukt hem, bij vlagen, maar vaak ook helemaal niet. Zijn omgeving reageert onverbiddelijk en bruut. Hij wordt beschimpt en bespot door zijn ouders en vrienden.

Of ik me in zijn verhaal herken? Bij momenten, zij het in afgezwakte vorm. Ik zat zelf op een jongensschool waar viriliteit de norm was (en al de rest niet). De brutaliteit van het milieu waarin Louis opgroeide, is me totaal vreemd. Ik werd geduld en met rust gelaten. Louis speelde op zijn tiende pornoscènes na (penetraties inbegrepen) met zijn vrienden in een tuinhuis, ik stond op die leeftijd in mijn pyjama voor de televisie mee te dansen met de popartiesten in Tien om te zien ...

Hoe zou het zijn om een kop koffie met die twee schrijvers te delen? Huff lijkt me een man die een beker koopt in een filiaal van Starbucks in een grootstad, terwijl hij telefoneert, rookt of snuift. Louis daarentegen heeft iets buitenaards. Ik vraag me af of hij ooit drinkt. Een glas water misschien? Een ontmoeting met veel koffie en uitzonderlijk veel taart, zoals wij dat meestal doen, zou hen weinig zeggen, vermoed ik. Ach, diep vanbinnen ben ik een oud dametje dat koffie uit een gebloemd kopje nipt en leest en schrijft, en schrijft over lezen en schrijven. Die dame bestaat overigens ook al in het echt. Ze heet Diana Athill en op haar 82e won ze de Costa Book Award voor Goed oud, een autobiografische roman over haar gracieuze omgang met haar stijgende leeftijd. Ze is nu 98 (!) en schrijft nog steeds.

Nu ik dit allemaal teruglees, lijkt het een klein wonder dat mijn pen nog niet aan de haak hangt. De klassiekers intimideren me en mijn generatiegenoten scoren met verhalen waarin ik me niet herken. Maar, misschien is dat nu net een reden om mijn verhaal te vertellen? Als Athill me iets heeft geleerd, dan is het wel dat ieder mens schaamteloos enthousiast mag worden over zijn of haar leven. Ik moet schrijven, zelfs al val ik met mijn teksten - in vergelijking met mijn voorgangers - in herhaling.

De herhaling is nooit hetzelfde.

Een van de mooiste adviezen die ik ooit kreeg. Ik trok en trek er me vaak aan op in mijn zoektocht naar een eigen stem.

Iedereen schrijft over zichzelf, de ene legt meer lagen tussen zichzelf en de tekst dan de ander.

Dus, elke schrijver schrijft uiteindelijk over wat hij kent? De confrontatie met zichzelf is onvermijdelijk. Ik pel alle lagen van me af en maak met woorden een kopie van mijn leven. Op die manier ontstaat op papier een parallelle werkelijkheid met een al even parallelle waarheid. De valkuilen bij het schrijven van autobiografisch werk liggen op andere plaatsen dan bij fictie. Gaan de billen bloot, dan zijn het die van mezelf en niet die van een personage van wie ik me kan distantiëren. Wanneer ben ik oprecht en relevant, wanneer narcistisch en obsceen? De lijn is soms zorgwekkend dun.

Je t'adore,

Ward

Lees ook:
Een brief
Een vaas
Een schilderij

zondag 26 april 2015

In plaats van een roman (een vaas)


Beste N.,

Vergeef me, de laatste tijd heb ik ons schriftelijk contact verwaarloosd. Mijn schrijfstop is te wijten aan gras. Aan het begin van de lente heb ik oor voor het geritsel in de struiken van vrijende insecten, en fluitende vogels. Mijn oog valt op de eerste bloesems en de knoppen die op takken en stengels ontbotten. Dit jaar kijk ik vooral naar beneden, naar het gras onder mijn voeten. Het groeit terwijl ik ernaar kijk. Een weekje zon en die sprieten zijn niet te stoppen.

Vorig weekend verdwaalde ik in een zaak waar werkhandschoenen, harken en vijverstofzuigers (dat zoiets bestaat!) werden verkocht. Ik stond vertwijfeld voor een rij van wel twintig grasmachines. Ik had geen idee wat die tuigen allemaal konden, maar ben er zeker van dat je met sommige het kanaal kunt oversteken. De verkoper vatte de gebruiksaanwijzing van het model dat ik koos in drie zinnen samen. Dat ging van: dat knopje dient daarvoor; dit knopje, hier zo, moet je alleen dan gebruiken; en nooit - ik herhaal - nooit het toestel op zijn linkerzijde kantelen (verstopte filter enzo). Tot slot duwde hij vijf keer op weer een ander knopje, gaf een ruk aan een wit touw en zette de machine in gang. 'Nog vragen?' vroeg hij. Op de achtergrond klonk het astmatisch gebrul van mijn nieuwste aankoop.

Er is iets vreemds met mijn gras aan de hand: als ik erop stap, duurt het even voor mijn voet vaste grond voelt, alsof de sprieten enkele seconden weerstand bieden aan mijn zool. Zijn ze nog niet gewend aan menselijk contact? Het perk heeft meer weg van een vriendelijk moeras dan van het gras dat ik uit stadsparken ken. De correcte verklaring is minder poëtisch: het gras is gewoon te lang.

Ik voel me verwant met het enthousiast groeiende gras in de tuin. De oorzaak van de verwantschap is een wedstrijd voor kortverhalen. De aankondiging las ik vrij laat: de uiterste indieningsdatum was twee weken later. Onmogelijk, dacht ik, op zo'n korte tijd krijg ik nooit een leesbaar kortverhaal op papier. En toen werd het lente. Zodra ik de eerste zin had geschreven, twijfelde ik er niet meer aan dat het verhaal op tijd af zou raken. Het resultaat is een kruispunt waarop een koortsachtige drang om me als schrijver te bewijzen, een inspirerende trip naar Brussel en de eerste zon van het jaar frontaal op elkaar botsen. Mijn laatste, volledig afgewerkte kortverhaal dateert van vier jaren geleden, maar het leek alsof mijn vingers nooit afscheid van het genre hadden genomen. Het voelde zo ver-schri-kke-lijk goed om een idee voor een verhaal meteen uit te werken. Het kreeg niet de tijd om in het moeras van mijn hoofd te verzinken.

Ik kweekte de slechte gewoonte om ideeën voor verhalen en gedichten te bewaren in een vaas - geen doorzichtige met een smalle hals, maar een lomp geval met oranje-rode spikkels en een brede opening. Ik gaf ze ooit aan iemand cadeau, maar op de een of andere manier is ze in mijn schrijfkamer beland.

Intermezzo 

Enkele tips (omdat ik het me niet kan laten en geen zin meer heb in al dat show, don't tell-gedoe. Gras is gras en een vaas is een vaas punt).

Geef je iemand een interieurbepalend cadeau, kies dan iets dat je zelf ook mooi vindt. Je weet nooit wat de toekomst brengt (tip 1).

Als die vaas dan toch in je eigen huis belandt, gebruik ze dan niet als vuilnisbak voor ideeën die je zult uitwerken 'als je eens tijd hebt' (tip 2).

Ideeën zijn geen kiemen, maar bloemen. Je plukt ze als ze bloeien, niet wanneer ze hun kopjes laten hangen (tip 3).

Stop intermezzo.

Ik beschouwde ideeën als kiemen, en de vaas als een plek die hun ontkieming bevorderde. Afstand en geduld brengt ideeën tot wasdom, toch? De goeie blijven overeind en groeien, de slechte vergeet je, toch? Dat werkt misschien voor mensen met een goed geheugen, maar niet voor zo'n zeef als ik. Ik moet alles opschrijven, anders vergeet ik het. Mijn vaas werd een braakbal van krabbels op losse A4-bladen, op treintickets of in goedkope schriften uit grootwarenhuizen.

Sommige ideeën haalden niet eens het papier. Ze sneuvelden in mijn prehistorische telefoon. Mijn gsm laat me toe twintig 'herinneringen' op te slaan. Elke herinnering telt een beperkt aantal karakters (korter dan een twitterbericht). Heb ik geen papier bij de hand en krijg ik een idee voor een verhaal of gedicht, dan moet ik het samenvatten in drie, maximum vier (afgekorte) woorden. Vervolgens rinkelt er op een later moment een belletje en verschijnt de herinnering op mijn gsm-scherm. Ik kan er tegen die tijd vaak niets meer van maken: was het een idee voor een verhaal of een huishoudelijke klus die ik niet mocht vergeten? Zucht.

Duwen woorden tegen je hersenpan, ga er dan voor zitten en schrijf ze op. Laat je tijdens het schrijven van die eerste, begeesterde versie zo weinig mogelijk lastigvallen door mensen, huisdieren, telefoons of aardappelen op het vuur. De sfeer van een verhaal of gedicht dient zich maar kort aan. Die eerste versie kan lijken op de notities van een gek, maar dat is niet erg. Je kunt er eens goed om lachen voor je aan de tweede versie begint. Die sfeer, die pakt niemand je nog af. Herschrijven is dan weer een rationeler proces dat minder last ondervindt van horten, stoten en onderbrekingen. Een kladwerk omzetten naar iets leesbaars is een kwestie van woordenboeken, schrappen, schikken en geduld.

De voorbije twee jaren heb ik traag en in afzondering geschreven. Dat was intens en confronterend. Nu heb ik zin in wedstrijden, opdrachten en uitdagingen. En dat alles en plein public. Ik weet het, de slinger slaat drastisch de andere kant uit. Ik wil de hele tijd roepen: 'Hier ben ik!'

Het schrijverschap is dynamisch. Het past zich aan aan je leven. Soms heb je veel tijd, soms minder. Soms heb je veel inspiratie, soms geen. Soms groeit het gras snel, soms hoef je het een seizoen lang niet af te rijden. Soms koop je tulpen voor 2,99 euro in het grootwarenhuis, soms afwastabletten met een kortingsbon. Soms staat een vaas op het punt te barsten, soms haal je er - een voor een - A4-bladen, treintickets en schriften uit. En je begint ze te lezen.

Groeten,

Ward

Lees ook:
Een brief
Een kopie
Een schilderij

dinsdag 14 april 2015

In plaats van een roman (een brief)


Beste C.,

Een vriendin zei me ooit: 'Zonde dat we onze gesprekken over literatuur niet met anderen delen.' Haar verzuchting was een van de aanleidingen om met dit blog te beginnen. Jouw mails brengen een gelijkaardige reactie bij me teweeg. Vergeef me dus dat ik - voor de tweede keer op rij* - mijn antwoord op jouw mail op dit blog deel.

Ik zou je graag enthousiast over de voortgang van mijn roman vertellen, maar dan lieg ik. Vorige week heb ik alles wat ermee te maken heeft in een lade gestoken. En kijk, ik adem nog altijd. Ik dacht dat zo'n beslissing met meer drama gepaard zou gaan: tranen, een identiteitscrisis, het gevoel dat ik de wereld heb bedrogen door mezelf een schrijver te noemen van een roman die blijkbaar toch niet in mijn vingers zit.

Die bewuste ochtend nestelde ik me met mijn kladschrift op de bank om het zoveelste schrijfuur aan een scène te wijden. Het hoofdpersonage bracht in het huis van een overleden vriend het eindejaar met haar familie door. Ik dacht: is het alweer Kerstmis in mijn boek? Zucht. De personages liepen niet langer geloofwaardig een kamer binnen. Ik kreeg ze niet meer geloofwaardig aan het eten, drinken en ademen. De woorden op het blad verveelden me oeverloos. Mijn gedachten dwaalden voortdurend af, en dat deden ze wel meer de voorbije maanden. Tijdens de laatste schrijfsessies had ik het gevoel dat er geen schrift, maar een dood paard** op mijn knieën lag, en ik gaf dat beest als een bezetene mond-op-mondbeademing.

Ik hoop dat ik niet bitter klink? Sinds ik die lade heb gesloten, is mijn appreciatie voor romanschrijvers alleen maar toegenomen. Ik wilde deel van de club uitmaken, maar bij deze lever ik mijn voorlopige lidkaart in.

Waar die plotse ommezwaai vandaan komt? Ik weet het niet. Ligt het aan de lente? Ligt het aan de verhuizing van mijn moeder? De voorbije weken werd ik met mijn oude slaapkamer geconfronteerd. De meeste spullen zijn nu voor een prik in de kringwinkel te koop of liggen bij het oud papier. Bij vlagen voel ik me gevangen in een stroperige Hollywoodfilm. Het verleden - het goeie, het slechte en het lelijke - drong zich onafgebroken aan me op. Ik dacht: tijd om alle ballast overboord te gooien, zowel materieel als mentaal. Blijkbaar hoorde mijn roman daar ook bij.

Stop ik dan met schrijven? Welnee, integendeel, meer dan ooit wil ik woorden op papier zetten. Schrijven laat me toe de knoppen van mijn zintuigen maximaal open te draaien. Schrijven is goesting met taal botvieren. Schrijven is plezant. En net dat plezier begon ik met mijn roman te verliezen. Ik wilde de weerzin voor zijn door op tijd te stoppen.

Een roman dwingt me keuzes te maken, en elke doorhakte knoop heeft consequenties voor de rest van het verhaal. Een personage dat met een blauw hemd de kamer binnenkomt, kan vijf minuten later geen rood hemd dragen***. Nog voor de eerste zin van mijn roman was geschreven, hakte ik er lustig op los. Het fijnere werk gebeurde tijdens het schrijven zelf. Iets meer dan honderd pagina's liep het goed. Het verhaal ging met me aan de haal, halleluja! Schrijvers kunnen over dat moment erg lyrisch worden. Ze omschrijven het als een bijna bovennatuurlijke ervaring - laten we het een flow noemen - als ze door een vakblad worden geïnterviewd. Zodra ze de teugels aan het verhaal overlaten, veranderen hun handen in een medium waarmee de roman die in een goddelijke sfeer rijpt op papier wordt gezet. Onzin natuurlijk, maar zoiets leest lekker weg bij een kop koffie.
Shit, nu klink ik bitter. Tijd voor een nieuwe alinea.

Een schrijver maakt - bewust en onbewust, vooraf en tijdens het schrijven - keuzes die als een stolp over de wereld die hij heeft verzonnen wordt gezet. Die stolp werd bij mij steeds kleiner. Mijn zintuiglijke knoppen werden door iets (het verhaal?) of iemand (ik?) langzaam dichtgedraaid. Het duurde een tijdje voor ik begreep wat er gebeurde. Zelfs toen ik deze reeks In plaats van een roman titelde, geloofde ik dat ik parallel met mijn blog mijn roman zou voltooien. Ik verweet mezelf dat ik te lui was om aan mijn bureau te zitten en 'het' op te schrijven. Als oplossing zocht ik mijn heil in trucjes:
     1. Ik plande mijn agenda vol schrijfmoment (waarin ik verhoudingsgewijs weinig schreef).
     2. Ik werkte terug op papier. Een computer met een internetverbinding leidde me te veel af.
     3. Ik zette dagelijks een herinnering in mijn gsm met de vraag 'Wat wil je echt?'.

Het antwoord op de laatste vraag luidde steevast: schrijven. Allemaal goed en wel, maar ondanks een trucje hier en een trucje daar kreeg ik dat verhaal niet opnieuw aan de gang. Ik zei nee tegen inspirerende mensen, boeken, films en trips. Ik zette andere ideeën voor proza en poëzie in de wachtrij. Die roman kreeg voorrang. Ik had beter meer ja gezegd.

Helemaal anders ervaar ik het schrijven voor dit blog. Die fameuze flow overvalt me hier wel. Wat wil ik dan echt? Bloggen, blijkbaar. Het gevecht met geloofwaardigheid voer ik hier niet. Dagelijks wandelen er meerdere boeiende onderwerpen voorbij. Ik vertrek vanuit mijn eigen ervaring en zoek de woorden die daarbij aansluiten. De verbeeldingskracht en intensiteit die ik aanvankelijk enkel aan de romankunst of de poëzie toedichtte, vind ik evenzeer in essays - een inzicht waarvoor ik schatplichtig ben aan Valeria Luiselli, Diana Athill, Rebecca Solnit, Charlotte Mutsaers en Joke J. Hermsen. Vijf schrijfster die van mij een klapzoen verdienen.

Het essay schept een ruimte waarin ik me vrijer beweeg dan onder de stolp van de roman. Een docent vergeleek een roman schrijven ooit met het lopen van een marathon. Schrijvers moeten zitvlees kweken. Die aanpak leent zich niet voor het essay. Reflecties laten zich niet meteen neerpennen. Ik krijg ze pas op papier als ik veel van mijn bureau wegloop. Verdwalen is verplicht. Uitstelgedrag, verveling en afleiding zijn ideale katalysatoren om een gedachte te ontwikkelen. Het essay sluit ook perfect bij mijn levensstijl aan: de uren waarop ik kan schrijven zijn beperkt, nadenken over schrijven kan 24/7.

In regel zijn essays te kort om ze met een marathon te vergelijken, en te lang om van een literaire sprint te spreken. Ze vertonen meer verwantschap met een wandeling in de vorm van een lus. Wanneer je op het einde terug bij het startpunt staat, ben je uiterlijk dezelfde persoon gebleven, maar vanbinnen is er iets verschoven. Je kunt die verschuiving niet meteen benoemen. Je merkt het alleen aan de manier waarop je het landschap ervaart: je ziet plots dingen die je aan het begin van de tocht niet eens vermoedde.

Misschien is dit blog de ideale vervanger van een schrijfcursus? Ik verplicht mezelf om wekelijks een bericht te publiceren. Ik dwing mezelf om binnen een meetbaar stuk tijd ideeën te verzamelen en uit te werken. Ik krijg geen kans om te verdrinken in research - mijn meest geliefkoosde activiteit om het schrijven te ontvluchten. Net zoals bij een cursus varieert het resultaat in lengte en kwaliteit. Maar, dat is niet erg. De onvolmaakte, experimentele bijdragen zijn een essentieel onderdeel van dit blog. Ik koester ze. De ideeën die het krakkemikkigst aan de start verschijnen, komen als eerste over de eindmeet - ranker, slanker en gespierder dan de overmoedige, snelle starters.

Wat dat afspreken betreft: ja, graag. We hebben elkaar al meer dan twee jaar niet meer gezien, hebben hooguit vijf, zes mails uitgewisseld, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat we al die tijd onafgebroken met elkaar hebben gecommuniceerd.

Groeten,

Ward

* Weet je dat mijn eerste brief aan jou een van de meest gelezen berichten is?
** Weet je nog dat ik in een gedicht beloofde de dieren in mij voorgoed het zwijgen op te leggen? Het lukt me niet trouw aan dat voornemen te blijven. In het kortverhaal waar ik momenteel aan werk komen een mammoet, een kangoeroe en ontelbare poezen voor.
*** Dat klinkt nochtans als een geweldig verhaal. Misschien moet ik dat maar eens gaan schrijven. Ooit.

Lees ook:
Een vaas
Een kopie
Een schilderij

dinsdag 31 maart 2015

In plaats van een roman (een mikmak)


Wij mikmakkers

België is een architecturale mikmak; een appartementsblok uit de seventies staat naast een haciënda staat naast een zwarte kubus staat naast een fermette met veranda. Apenbomen zorgen voor een rode draad in de chaos. Om de zoveel huizen staat er in de voortuin een exemplaar te pronken. Niemand plant ze tegenwoordig nog. Belgen houden niet van bomen, las ik in een interview met een tuinarchitect. Ze nemen het licht weg, zijn vuil en hinderen de buren.

Hipsters hebben de apenboom nog niet aan de boezem of de baard gedrukt. Ze doen aan guerrilla gardening, oogsten vergeten groenten en zetten sanseveria's voor het raam. Ik word al moe van het idee. Doe mij maar de tuin van mijn ooms, tantes en grootouders. Zij waren hipsters zonder het te weten. In hun tuinen kreeg een bloem een plek omdat er nog plaats was, bleef een boom staan omdat hij er al zolang stond en groeiden jaar na jaar dezelfde aardappelsoort, kropsla en bonen.

Serendipiteit

Mijn leven is een mikmak. Ik laat mijn schoenen achter waar ik ze heb uitgetrokken, laat vuile koffiekoppen in de buurt van mijn computer staan, gooi gedragen kleren op een hoop in de kast en bouw overal boekenstapels. De mensen met wie ik heb samengeleefd werden (en worden) er gek van. Toch slaag ik er beter in dan de gemiddelde poetskoning of -koningin om spullen terug te vinden, tenzij de royals zich met mijn spullen hebben bemoeid.

Raak ik het overzicht kwijt? Dan is het tijd om op te ruimen. Al verschil ik vaak van mening met de gekroonde hoofden over de definitie van opruimen. Voor ordenen ben ik te vinden, voor stofzuigen en dweilen iets minder. Van stof gaat niemand dood. Mikmak gaat hand in hand met serendipiteit, en serendipiteit triggert creativiteit. Een opgeruimd huis is dood. De cover van een blad op de salontafel, een beschimmeld stuk pizza in de koelkast of een verfrommeld kassaticket in een rugzak; daarin zit het begin van een dagdroom, een verhaal of een glimlach.

Een dossier, een moodboard, een project

Na meer dan dertig jaar neemt mijn moeder afscheid van haar appartement in de buurt van het treinstation. Nu ze met pensioen is gegaan hoeft ze niet meer op wandelafstand te wonen van sporen die haar op minder dan een kwartier naar het centrum van de hoofdstad brengen. Ik vroeg haar welke meubels ze mee zou nemen, welke ze van de hand zou doen, in welke kleur ze de muren zou verven en voor welke stijl ze ging. 'Verhuizen mama,' zei ik, 'dat is een project. Je moet er goed over nadenken.'

Ze moest een dossier aanmaken waarin ze artikels en foto's verzamelde die haar aanspraken. Het kon dienen als basis voor een moodboard, een beeldcollage die op haar beurt als uitgangspunt gold voor een bezoek aan meubelzaken en verfwinkels. Mijn moeder werd er stil van. Aanvankelijk was ze van plan al haar meubels gewoon mee te nemen. De inhoud van de kasten zou ze in dozen steken die ze op het nieuw adres weer zou leegmaken.

Een dossier, een moodboard, een project (bis)

Niet zo gek lang geleden bezorgde ik mijn poetsende medemens een column over de kracht van rommel, maar wanneer ik mijn eigen moeder ongevraagd advies verleen, zondig ik tegen alle principes die daarin uit de doeken worden gedaan. Het is niet anders met mijn tuinplannen. De onaangeroerde lap gras die aan mijn voeten ligt, mag ik niet verknallen. Ik moet plannen, mijn voorkeuren en spinsels in een haalbaar project gieten, een dossier samenstellen, een moodboard maken en pas daarna naar een tuincentrum gaan.

Ik wil dat mijn tuin eruitziet als een georganiseerde mikmak. En dat, fluisterde het gezond verstand me in, bestaat jammer genoeg niet. Ik begin opnieuw. Ik schop de blogs, bladen, kranten en televisieprogramma's uit mijn tuin. Ze zijn verrukkelijk om naar te kijken, maar met hun hulp lukt het me niet. Ik sta open voor jouw suggesties en stekken. Laat ze achter op mijn lap gras als een uitgeschopte schoen, een vuile kop koffie, een gedragen kledingstuk of een half uitgelezen roman.

Lees ook:
Geen tuin
Veel tuinen
Een bibliotheek

dinsdag 17 maart 2015

In plaats van een roman (een bibliotheek)


Boeken: lenen of kopen? Mijn moeder en vader gingen voor het laatste, en ik ben een gretige volger van hun voorbeeld. De openbare bibliotheek leerde ik pas kennen toen ik naar school ging. De vonk is nooit helemaal overgesprongen. Tegen het aanbod van een bibliotheek kan niets op, toch voel ik me veel meer aangetrokken tot de losjes georganiseerde boekenkasten van mensen. Een boek, dat zegt toch ontzettend veel over diegene die het bezit, of niet? 

De kleerkast van mijn vader

Tijdens de laatste jaren van zijn leven hield mijn vader zijn boeken bij in een kleerkast - een antieke kast van bruinrood hout. Op elk schap stonden twee rijen boeken. De exemplaren die hij het laatst had gelezen of bij de hand wilde hebben, lagen horizontaal op het laatste vrije stukje hout van elk schap. Als hij de kast opende, viel er soms een boek met een plof op de grond. Waren ze alfabetisch gerangschikt? Ik denk het niet. Het was een boeltje, maar wel een erg gezellig boeltje.

Ik heb mijn vader nooit romans zien lezen, al kan ik me niet voorstellen dat hij dat nooit heeft gedaan. Het genre moet bij een deel van zijn leven hebben gehoord dat ik niet bewust heb meegemaakt. Toen ik hem voor het eerst zelf als lezer ervoer - zittend in een met stof bekleedde armstoel onder een leeslamp, een boek in de ene hand, een glas rosé in de andere - verdiepte hij zich uitsluitend in non-fictie. Hij las hoofdzakelijk essays over politiek. Hij vulde zijn leesmenu aan met bladen en kranten. Mijn vader vrat op dat vlak alles, van roddelblad tot serieuze krant; een leeshonger die ik van hem heb overgenomen.

Van vader op zoon

Mijn vader werkte zelf aan een semi-autobiografische roman. Hij liet er nooit veel over los. De weinige informatie ik erover heb gekregen, puur ik uit anekdotes die in de familie worden verteld.  Niemand heeft ooit een bladzijde uit zijn manuscript gelezen. Als ik hem over de roman aansprak, veranderde hij van onderwerp. Zou hij hem hebben afgewerkt? Ik vermoed dat hij met grote tussenpozen schreef. De tweede helft van zijn leven was hij vaak alleen en had hij veel vrije tijd. Hij moet toen hebben geschreven. Nou ja, dat of tuinieren, dat kan ook.

Hij heeft van mij nooit een schrijver willen maken, of toch niet bewust. Hij was wel trots op de verhalen die ik als tienjarige op papier zette. Ik gebruikte de personages en settings van bestaande televisieserie als uitgangspunt, maar de verhaallijnen bedacht ik zelf. Mijn vader las mijn teksten en stuurde ze inhoudelijk bij. Mijn moeder corrigeerde de taalfouten. Later - ik was toen elf - maakte ik een scenario dat ik naar de televisie wilde sturen. Gelukkig deed ik die enveloppe nooit op de post. Ik plagieerde sans gêne een soap die ik elke dag trouw volgde*.

De detectives van mijn moeder

Vier planken, een achterwand en enkele schappen; de boekenkast van mijn moeder is soberder. Mettertijd zijn ook bij haar de rijen boeken op elk schap verdubbeld. Ze leest vooral thrillers, de klassiekers - Georges Simenon, Ruth Rendell, John Grisham en Agatha Christie. De verfilmingen en de televisieseries die op hun werk zijn gebaseerd, pikt ze met evenveel plezier mee.

Als kind kibbelde ik met haar elke zondagavond. Ik wilde naar de grote dobbelstenen en de fonteintjes van Walters Verjaardagsshow kijken, mijn moeder naar Hercule Poirot. Daarin zet de Engelse acteur David Suchet de Belgische detective uit de boeken van Christie op onnavolgbare wijze neer. Valt de naam Poirot, dan hoor ik meteen de begintune: eerst een piano, dan een saxofoon. Op het televisiescherm verschijnen golven in blauw neon, een maan en een pendule. Net voor een nieuwe aflevering begint, loopt Hercule met zijn wandelstok in de hand weg van de kijker onder drie grote spotlichten. Christie vergrootte met Poirot de clichés van het detectivegenre uit. Ze speelde met de regels van het moordverhaal en zette de knappe, onkreukbare James Bond te kijk.

Een bibliotheek

Wat een openbare bibliotheek was, kwam ik pas op school te weten. Mijn vader noch mijn moeder was lid. Ze kochten allebei de boeken die ze lazen; een attitude die ik van hen heb geërfd. In een bibliotheek krijg je voor een prikje per jaar toegang tot een berg literatuur. Een schitterend idee, maar het werkt niet voor mij. Ik wil geen boek teruggeven als ik het heb gelezen.

Een boek krijgt niet alleen een plek in mijn hoofd, maar ook in mijn lichaam. Het nestelt zich in mijn vlees. Een boek afgeven, voelt als een mentaal en fysiek verlies. Zelfs van een slecht boek wil ik niet af. Het maakt deel uit van mijn leestraject. Mijn drang tot boekbezit is niet op egoïsme gestoeld, integendeel, het is net uit liefde voor de literatuur dat ik mijn favoriete auteurs graag dicht bij me houd. Naar boekenruggen kijken, stelt me altijd gerust, zelfs al wordt er op de pagina's gemoord en gelogen.

Ik ben geen bibliotheek, maar soms gedraag ik me alsof ik er een ben. Ik leen met plezier romans, gedichten en essays aan vrienden. Een boek uitlenen, betekent ook een deel van mezelf weggeven. Ik denk dan ook goed na over wie welk boek van me krijgt. Als hij of zij me nadien zegt: 'Ik vond er niks aan,' moet ik mijn best doen om het niet persoonlijk te nemen.

* Ik wist dat je naar beneden zou scrollen. Schaam je, 't is makkelijk te lachen met de jeugdzondes van een ander. Maar bon, voor de draad ermee: ik plagieerde Wat nu weer?!, een jongerenserie die zich grotendeels in een subtropisch zwembad afspeelde. Ik zou er nu nog geen vijf minuten van mijn tijd aan willen verspillen. Vaag staan me abominabel acteerwerk en tenenkrommende dialogen voor. 

Lees ook:
Stilte
Geen tuin
Veel tuinen

dinsdag 3 maart 2015

In plaats van een roman (veel tuinen)


Waar komt mijn interesse voor tuinen vandaan? Met de paplepel ingegeven, of toch niet? Mijn vader was een tuinman vóór tuinieren door hipsters werd omarmd. Spoorde hij me aan tot spitten, planten of snoeien? Een onderzoek, deel 2. 

Mijn vader, een tuinman

Mijn vader was een tuinman. Zijn eerste huis had een kleine stadstuin, zijn laatste een domein dat ooit een park was geweest. Hij was de tuinhype voor. Eind jaren tachtig kocht hij al magazines om zich te laten inspireren. Hij dacht na over wat hij waar plantte en had een voorkeur voor bloemen. Ik ging graag met hem mee naar het tuincentrum om planten te kiezen. Ik had een zwak voor grootmoederbloemen: pelargoniums, viooltjes, lobelia's, Afrikaantjes en begonia's. Mijn lievelingsbloem was de rode petunia met witte strepen. Ze deed met denken aan de Coca Cola-parasols met witte franjes die je vroeger op de terrassen van tavernes aan de kust zag.

Tijdens het winkelen beloofde ik mijn vader dat ik hem in de tuin zou helpen. Eens thuis had ik het te druk met spelen, televisie kijken of nietsdoen. Hij moest me aanporren voor ik de klus, halfslachtig, klaarde. Ik wrikte de planten los uit de zwarte, plastic bakjes en stak ze in de putjes van de bedden die hij voor me had voorbereid. Dat gewroet in de aarde leek me vooral leuk als ik het anderen zag doen. Ik had een hekel aan het borsteltje met de harde, witte haren waarmee ik de aarde onder mijn nagels vandaan moest krijgen.

Hitte en mistral

Mijn vader bracht een deel van zijn leven door in Le Beaucet, een dorp in de Provence. Aan de ene kant van zijn huis was een olijfgaard, aan de andere een wijngaard. Langs de oprit groeide lavendel. De luiken van het huis verfde hij paars. De zon verbleekte de verf waardoor de kleur steeds meer op die van de lavendelbloemen ging lijken. De Provençaalse zomers waren heet en winderig, en niet alles gedijde zomaar in de tuin. De mistral maakte niet alleen de mensen nukkig, ook de bloemen gingen er plat van liggen.

Mijn vader vroeg me regelmatig om hulp. Hij gaf me typische puber-klusjes: was ophangen, afwassen, de tafel dekken of dieren verzorgen. Op het erf liepen maltezers, Deense doggen, poezen, kippen, eenden, zwanen en geiten rond. Als ik het er goed vanaf bracht, kreeg ik enkele francs waarmee ik in de plaatselijke bar tabac Street Fighter kon spelen. Het werk in de tuin nam hij alleen voor zijn rekening. Misschien was tuinieren voor hem wel wat wandelen is voor een ander. Een tuinman wordt tijdens zijn werkzaamheden met rust gelaten.

Een Japanse kerselaar en een brugje

De mooiste herinneringen bewaar ik niet aan de Provence, maar aan de plek waar mijn vader net voordien woonde: een herenhuis met een ommuurde tuin. In het midden van het gazon stond een oude Japanse kerselaar. Onze witte poes, Robbedoes, scherpte haar nagels aan de stam. Het was de enige boom waarin ik durfde te klimmen. Als ik in de lente hoog genoeg klom, zat ik op een bloesemende tak die boven een van de vijvers hing. Op minder dan een maand tijd vielen alle bloesems op de grond. Het gazon veranderde in een zachtroze tapijt.

Over het water liep een brugje met spijlen in de vorm van wijnranken. In de vijvers zwommen koi's, spuwde een fontein dunne waterstralen omhoog en bloeiden waterlelies. In de winter vroren de vijvers dicht en gleed ik met mijn laarzen over het oppervlak. Onder het ijs zag ik de vissen bewegingsloos in het water zitten.

Als ik mijn vader ergens dankbaar voor moet zijn, dan wel voor zijn tuinen. Het waren plekken waar ik mijn eerste bloemen plantte, op houtstapels klom, verstoppertje speelde en vrijlijk kon nadenken en lanterfanten.

Lees ook:
Een tuin
Stilte
Geen tuin

maandag 23 februari 2015

In plaats van een roman (geen tuin)


Waar komt mijn interesse voor tuinen vandaan? Met de paplepel ingegeven, of toch niet? Mijn moeder heeft nooit een tuin bijgehouden, al probeert ze - al zolang ik me kan herinneren - halsstarrig azalea's in haar woonkamer te doen bloeien. Maar, als zij me nooit tot spitten, planten of snoeien inspireerde, wie of wat dan wel? Een onderzoek, deel 1. 

Geen tuin, geen balkon

Ik wil mijn vinger leggen op het moment waarop ik voor het eerst interesse kreeg in een tuin. Maar, denk ik dan, ontstond die interesse in een flits, één moment? Waarschijnlijk werd ik door verschillende gebeurtenissen geprikkeld.

Het grootste deel van mijn kinder- en tienerjaren woonde ik met mijn moeder in een appartement op de tweede verdieping. We hadden tuin noch terras. Tijdens de constructie van het gebouw besliste de bouwheer dat de balkons - zoals voorzien op het plan - niet zouden worden opgetrokken.

Azalea's en sanseveria's

Als mijn moeder en ik naar buiten wilden gaan, moesten we altijd iets doen. Dat lukte ons vaak, maar soms verlangden we naar een ligstoel op een balkon. We konden er uren over mopperen, maar een wonder bleef uit. 's Nachts, terwijl we sliepen, groeiden er geen balkonvormige uitstulping uit het gebouw.

Mijn moeder bracht, met wisselend succes, de natuur binnenshuis. Ze kocht felroze azalea's en gaf ze steevast een plek op de eettafel in de woonkamer, een deel van het appartement waar nooit zonlicht kwam. Na twee, drie weken verdroogden de bloemen. Ze kleurden lichtroze en kregen bruine randjes. De donkergroene blaadjes vielen op het tafelkleed.

De verdwijntruc van mijn moeder

Als achtjarige had ik een zware cactusfase. Voor mijn communie kreeg ik er enkele cadeau. Tussen het groen en de gele stekels lagen knikkers. Het was geen zicht, maar ik stelde in die tijd geen vragen. Ze groeiden niet. Op een dag waren die cactussen uit het interieur verdwenen. Mijn moeder had haar befaamde verdwijntruc toegepast, zoals wel vaker als dingen niet deden wat ze volgens haar behoorden te doen. Onze lekkende Senseo en anorectische dwergschildpad waren eenzelfde lot beschoren.

Planten een tweede leven geven was, op een zeldzame poging na, niet aan mijn moeder besteed. Ooit trok ze met een emmer en een schepje de straat op om zand te lenen van een berg die eerder die dag op een werf in de buurt was gestort. Ze wilde een kleine voorraad aanleggen om planten te verpotten. Wat dat verpotten betreft, ik kan me niet herinneren of dat ook echt is gebeurd. Die emmer zand kan ik me nog wel voor de geest halen. Hij heeft jarenlang, onaangeroerd, in de kelder gestaan, tot ook hij op een dag spoorloos verdween.

Een verhaal als tuin

Vroeger werden kasteeltuinen ommuurd om de gevaarlijke buitenwereld op afstand te houden. Een wandeling door de tuin diende om je intellectueel te ontwikkelen, vergde aandacht en inspanning. De tuin werd als een boek gelezen. Bloemen, struiken, bomen en standbeelden dienden niet ter verfraaiing van het uitzicht, maar als geheugensteun om de rode draad van het verhaal niet te verliezen. Het groen was een verhaal, de tuinman een schrijver.

Dat weetje over kasteeltuinen heb ik vorige week uit Wanderlust van Rebecca Solnit geplukt. Ik denk eraan terug nu ik mijn groene genen ontleed. Als mijn interesse voor de natuur niet door mijn moeder werd aangewakkerd, dan misschien wel door de literatuur? Ik moet eens op zoek gaan naar de tuinen in mijn boekenkast. Ik leg met andere woorden de omgekeerde weg af van de kasteeldames en - heren. Zij zochten een verhaal in een tuin, ik zoek een tuin in een boek.

Lees ook:
Een tuin
Stilte
Veel tuinen