Deel 1 vind je hier.
Dankzij Dirk Roofthooft wilde ik in de poëzie van Joseph Brodsky leven. Erwin Mortier deed mij naar Godenslaap verlangen nadat ik hem de openingsalinea's hoorde voorlezen op het Passa Porta festival. Eerst weergalmde zijn stem in de protestantse kerk in Brussel, de rest van de dag hoorde ik ze in mijn hoofd. Gerrit Kouwenaar horen voordragen op de cd Dat is alles had een averechts effect. Hij bromde zich door zijn schitterende gedichten. Ik begreep amper een woord van wat hij zei.
'Hoe schrijft u dan?' zou ik Kouwenaar willen vragen. Een gedicht op punt stellen, is voor mij onlosmakelijk verbonden met hardop voorlezen. Hoe doet Kouwenaar dat dan? Hoort hij zichzelf anders dan ik dat doe? Vertrouwt hij op zijn innerlijke oor? Of misschien heeft hij een partner die elke avond uit zijn werk voorleest zodat hij de haken en ogen uit zijn kladversie kan halen?
Een half jaar na Frappant TXT mocht ik naar Dichters in de Prinsentuin, een jaarlijks poëziefestival in een prachtige tuin in Groningen. Samen met veel andere dichters, amateurs en professionals, kreeg ik een plek in de loofgangen. Ik probeer zo'n loofgang even te visualiseren voor mensen die het festival niet kennen:
Denk aan een haag.
Denk aan een gat in de haag.
Denk aan een dichter aan het gat in de haag.
Denk aan veel dichters aan veel gaten in verschillende hagen.
Denk aan een publiek aan de andere kant van het gat in de haag.
Het publiek loopt kriskras door elkaar en blijft staan bij dichters naar wie ze willen luisteren.
45 minuten lang moest ik poëzie verkopen aan mijn eigen gat. 45 minuten, dacht ik, ik heb niet eens genoeg gedichten voor een half uur. Gelukkig blijven mensen nooit de hele tijd bij één dichter staan. Je kunt hetzelfde gedicht wel tien maal doen elke keer als je nieuwe gezichten aan je groene loketje hebt staan.
Voor het eigenlijke optreden in de loofgangen, was er een korte workshop bij Rodaan Al Galidi en Anneke Claus. Ze vertelden over hun ervaring op het podium en de wijze waarop dit hun poëzie op papier had beïnvloed. Daarna gaven ze ons de opdracht om te oefenen aan een geïmproviseerd gat = achter een toog zonder bier in de bibliotheek van Groningen.
Al Galidi en Claus overrompelden ons niet met tips en trucs. Ze zorgden voor een aangename, zorgeloze sfeer. Dat was een realistische aanpak. Een podiumbeest word je door ervaring, niet door een workshop van enkele uren. 'Gewoon lezen,' zei Al Galidi, 'altijd blijven lezen, zelfs al luistert er niemand naar jou.' Zijn advies bleek in de loofgangen te kloppen. Een dichter die voortdurend voorlas, trok meer volk dan iemand die wachtte tot er iemand bij hem stond.
Het was zomer, de zon scheen, de sfeer onder de dichters zat goed, en ik droeg 45 minuten lang voor alsof mijn leven ervan afhing. 'Laatste gedicht,' riep iemand veel te vroeg. Ik wilde nog niet stoppen. Na de laatste versregels besefte ik pas hoe erg ik aan het zweten was. 45 minuten geconcentreerd voordragen was fysiek zwaarder dan ik had gedacht. Ik voelde zowaar die adrenaline-stoot waar sporters over spreken (en die mij nooit overkomt als ik mij aan sport waag).
Nee, natuurlijk gaf ik in Groningen geen perfect optreden, maar het was het beste waartoe ik op dat moment in staat was. Het belangrijkste was dat ik ervan heb genoten en dat het mij een boost heeft gegeven om verder te doen.
Tijdens mijn eerste jaar woord/voordracht aan het conservatorium werd ik na de eerste les met de neus op de feiten gedrukt. Ik moest werken aan uitspraak, spreektoon, houding en inlevingsvermogen. Dat is ongeveer alles wat een woordkunstenaar nodig heeft om op een podium te kunnen staan. In het begin onderbrak mijn docent, Michel Kempeners, mij na elke zin, soms zelfs na elk woord. Het kon anders, beter. 'En Ward,' zei hij, 'denk aan je houding.'
Voor het examen op het einde van het schooljaar deed ik, samen met een medestudente, een mash-up van Gelukkige herinneringen (uit Variaties van ongemak) van Lydia Davies en Rockaby van Samuel Beckett. Met knikkende knieën stapte ik naar het midden van het podium en zei de eerste zin die ik al vijftig keer of meer had geoefend.
'Misschien zal de radio voldoende zijn om die dagen te vullen.'
Waarom wil ik dit? Waarom kies ik voor die stress? Die vragen stel ik mij altijd wanneer tijdens die eerste zinnen voor een publiek sta te bibberen. De antwoorden komen pas na afloop. Oefenen voor de spiegel of in de les is één ding, optreden is net dat tikje specialer. Er is het podium, de belichting, de stilte, het publiek en de hoop dat minstens één iemand een zin mee naar huis neemt die dagenlang wervelt in zijn gedachten.
Posts tonen met het label Dirk Roofthooft. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dirk Roofthooft. Alle posts tonen
zaterdag 29 juni 2013
zondag 16 juni 2013
Planken (deel 1)
Moet een schrijver op de planken staan? Met die vraag werd ik geconfronteerd toen mijn erotische verhaal Badparels werd opgenomen in Aangeboord talent, een verzamelbundel van proza en poëzie van debuterende auteurs. Ik kreeg de kans om op de boekvoorstelling in De Centrale (Gent) voor te lezen. Ik stelde mij de locatie voor als een Gents cafeetje met een podium van tien centimeter hoog en twee meter breed.
De Turbinezaal van De Centrale botste met mijn verwachtingen: het podium was groot en hoog.
Ik daarop? Geen denken aan.
Maar, ik kon niet meer terug.
De uitgever, Inan Akbas, zorgde voor een strak programma dat door Inge Paulussen aan elkaar werd gepraat.
In de coulissen gaf comédienne Öznur Karaca mij een goede raad: 'Geniet ervan'. Ik werd aangekondigd, ging de trapjes op en zei: 'Ik vind het een beetje intimiderend, maar ze hebben mij gezegd dat ik ervan moet genieten.'
Ik was te verlegen om mijn erotisch verhaal voor te lezen, dus deed ik poëzie. Na de tweede regel van het eerste gedicht dacht ik: zo gaat mijn tekst niet. Ik begon opnieuw en haalde zonder nieuwe haperingen het einde van mijn drie gedichten. Nadien vroeg een dame om haar exemplaar van Aangeboord talent te signeren. Bijna had ik mijn gezelschap gevraagd om in mijn arm te knijpen.
Nergens staat of valt de kracht van woorden zo duidelijk als op een podium. Iets wat niet werkt op papier, werkt zeker niet voor een publiek. Hardop lezen is een perfect middel om zwaktes van een tekst bloot te leggen. In het beste geval staat je verhaal of gedicht op punt voor je optreedt, maar soms besef je pas dat het ritme sputtert wanneer je je werk voordraagt buiten de vertrouwde muren van je woonkamer.
Moet een schrijver een performer zijn? Daarover lopen de meningen uiteen. Het helpt als je jezelf kunt verkopen. Vlotte praters vinden sneller hun weg naar een stoel van De wereld draait door of Villa Vanthilt. De ene schrijver is daar al gelukkiger mee dan de andere. Zulke discussies eindigen vaak in een oeverloos gelul over de grens tussen pulp (geschreven door een mediageile auteur die centen wil verdienen) en literatuur (geschreven door een auteur die weigert zijn ziel te verkopen voor een hogere oplage). Ik geloof niet dat schrijvers zo makkelijk in een van die twee hokjes kunnen worden ondergebracht. Laat ik deze discussie ook uit de weg gaan. De media bespelen niet hetzelfde als optreden.
Een publiek boeien met je eigen woorden is gewoon leuk. Of toch meestal. Twee jaar geleden stuurde ik het kortverhaal Het zijn moeilijke tijden in voor Frappant TXT, een wedstrijd in het Antwerpse georganiseerd door Creatief Schrijven. In vijf voorrondes namen telkens tien schrijvers het tegen elkaar op. Een jury stemde de beste podiumbeesten naar de finale in de Bibliotheek Permeke.
Ik kreeg een plek in de voorronde in de bibliotheek van Willebroek. Een paar weken voordien werd er een workshop georganiseerd onder begeleiding van acteur Dimitri Duquennoy en schrijver Bart Koubaa. In de voormiddag zat ik samen met de andere deelnemers in een grote kring op de bovenverdieping van de Antwerpse KBC-toren en deed ik mijn tekst. Duquennoy vond een aantal zinnen verwarrend, maar voor de rest waren de reacties positief. In de namiddag gingen we naar De Studio om onze microfoon-angst te overwinnen. Eerst durfde ik niet opnieuw voor die groep te staan, uiteindelijk durfde ik het wel, maar toen was het te laat. Ik kon mijzelf wel slaan.
De voorronde liep als een trein. Ik voelde mij rustig en ging met vertrouwen het podium op. Ik zei mijn eerste zin en wist: vandaag wordt het niets.
Een paar zinnen later had ik een black-out.
De vijf daaropvolgende seconden leken een eeuwigheid te duren.
'Ik ben mijn tekst vergeten,' zei ik tegen de micro. Gelukkig schoten mij op dat moment de juiste woorden weer te binnen. Ik bracht de rest van mijn verhaal zonder gênante onderbrekingen. Ik verknalde het dus niet helemaal, maar ik was allesbehalve tevreden.
Waarom stierven de woorden op mijn lippen? Ik had geen idee. De jury was opvallend mild. Ik werd niet gepakt op mijn black-out. Maud Vanhauwaert zei dat ik de stilte beter moest gebruiken. Het publiek weet immers niet wanneer iemand zijn tekst is vergeten. De reactie van Sylvie Marie lag in de lijn van die van Duquennoy: mijn tekst was verwarrend.
Mijn eerste reactie was: 'ik ga nooit meer op de planken staan.'
Mijn tweede reactie was: bekijk de tekst opnieuw en leer optreden.
Ik nam ook de tijd om te kijken hoe anderen op het podium stonden. In het cultureel centrum van Heusden-Zolder zag ik een magistrale Dirk Roofthooft de poëzie van Joseph Brodsky brengen. Hij liet tussen de zinnen ellenlange pauzes vallen. De woorden kregen de ruimte om te wervelen in het hoofd van het publiek. De kracht van zijn zegging was subliem. Elk woord had hij begrepen en gevoeld. Roofthooft legde ons met zijn lezing geen betekenis op. Zijn performance hielp ons om tot een eigen interpretatie van Brodsky's poëzie te komen. Na de voorstelling bleef ik verbaasd in mijn stoel achter. Ik keek naar mijn vriendin en zei: 'Dat wil ik ook kunnen.'
De Turbinezaal van De Centrale botste met mijn verwachtingen: het podium was groot en hoog.
Ik daarop? Geen denken aan.
Maar, ik kon niet meer terug.
De uitgever, Inan Akbas, zorgde voor een strak programma dat door Inge Paulussen aan elkaar werd gepraat.
In de coulissen gaf comédienne Öznur Karaca mij een goede raad: 'Geniet ervan'. Ik werd aangekondigd, ging de trapjes op en zei: 'Ik vind het een beetje intimiderend, maar ze hebben mij gezegd dat ik ervan moet genieten.'
Ik was te verlegen om mijn erotisch verhaal voor te lezen, dus deed ik poëzie. Na de tweede regel van het eerste gedicht dacht ik: zo gaat mijn tekst niet. Ik begon opnieuw en haalde zonder nieuwe haperingen het einde van mijn drie gedichten. Nadien vroeg een dame om haar exemplaar van Aangeboord talent te signeren. Bijna had ik mijn gezelschap gevraagd om in mijn arm te knijpen.
Nergens staat of valt de kracht van woorden zo duidelijk als op een podium. Iets wat niet werkt op papier, werkt zeker niet voor een publiek. Hardop lezen is een perfect middel om zwaktes van een tekst bloot te leggen. In het beste geval staat je verhaal of gedicht op punt voor je optreedt, maar soms besef je pas dat het ritme sputtert wanneer je je werk voordraagt buiten de vertrouwde muren van je woonkamer.
Moet een schrijver een performer zijn? Daarover lopen de meningen uiteen. Het helpt als je jezelf kunt verkopen. Vlotte praters vinden sneller hun weg naar een stoel van De wereld draait door of Villa Vanthilt. De ene schrijver is daar al gelukkiger mee dan de andere. Zulke discussies eindigen vaak in een oeverloos gelul over de grens tussen pulp (geschreven door een mediageile auteur die centen wil verdienen) en literatuur (geschreven door een auteur die weigert zijn ziel te verkopen voor een hogere oplage). Ik geloof niet dat schrijvers zo makkelijk in een van die twee hokjes kunnen worden ondergebracht. Laat ik deze discussie ook uit de weg gaan. De media bespelen niet hetzelfde als optreden.
Een publiek boeien met je eigen woorden is gewoon leuk. Of toch meestal. Twee jaar geleden stuurde ik het kortverhaal Het zijn moeilijke tijden in voor Frappant TXT, een wedstrijd in het Antwerpse georganiseerd door Creatief Schrijven. In vijf voorrondes namen telkens tien schrijvers het tegen elkaar op. Een jury stemde de beste podiumbeesten naar de finale in de Bibliotheek Permeke.
Ik kreeg een plek in de voorronde in de bibliotheek van Willebroek. Een paar weken voordien werd er een workshop georganiseerd onder begeleiding van acteur Dimitri Duquennoy en schrijver Bart Koubaa. In de voormiddag zat ik samen met de andere deelnemers in een grote kring op de bovenverdieping van de Antwerpse KBC-toren en deed ik mijn tekst. Duquennoy vond een aantal zinnen verwarrend, maar voor de rest waren de reacties positief. In de namiddag gingen we naar De Studio om onze microfoon-angst te overwinnen. Eerst durfde ik niet opnieuw voor die groep te staan, uiteindelijk durfde ik het wel, maar toen was het te laat. Ik kon mijzelf wel slaan.
De voorronde liep als een trein. Ik voelde mij rustig en ging met vertrouwen het podium op. Ik zei mijn eerste zin en wist: vandaag wordt het niets.
Een paar zinnen later had ik een black-out.
De vijf daaropvolgende seconden leken een eeuwigheid te duren.
'Ik ben mijn tekst vergeten,' zei ik tegen de micro. Gelukkig schoten mij op dat moment de juiste woorden weer te binnen. Ik bracht de rest van mijn verhaal zonder gênante onderbrekingen. Ik verknalde het dus niet helemaal, maar ik was allesbehalve tevreden.
Waarom stierven de woorden op mijn lippen? Ik had geen idee. De jury was opvallend mild. Ik werd niet gepakt op mijn black-out. Maud Vanhauwaert zei dat ik de stilte beter moest gebruiken. Het publiek weet immers niet wanneer iemand zijn tekst is vergeten. De reactie van Sylvie Marie lag in de lijn van die van Duquennoy: mijn tekst was verwarrend.
Mijn eerste reactie was: 'ik ga nooit meer op de planken staan.'
Mijn tweede reactie was: bekijk de tekst opnieuw en leer optreden.
Ik nam ook de tijd om te kijken hoe anderen op het podium stonden. In het cultureel centrum van Heusden-Zolder zag ik een magistrale Dirk Roofthooft de poëzie van Joseph Brodsky brengen. Hij liet tussen de zinnen ellenlange pauzes vallen. De woorden kregen de ruimte om te wervelen in het hoofd van het publiek. De kracht van zijn zegging was subliem. Elk woord had hij begrepen en gevoeld. Roofthooft legde ons met zijn lezing geen betekenis op. Zijn performance hielp ons om tot een eigen interpretatie van Brodsky's poëzie te komen. Na de voorstelling bleef ik verbaasd in mijn stoel achter. Ik keek naar mijn vriendin en zei: 'Dat wil ik ook kunnen.'
Abonneren op:
Posts (Atom)