Posts tonen met het label Annelies Verbeke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Annelies Verbeke. Alle posts tonen
maandag 22 december 2014
Eindejaarsvragen 2014
1. Wat was het beste boek van 2014?
Wat een vraag! Mijn geheugen heeft meer gaten dan een Zwitserse kaas. Gelukkig heb ik de Af en toe een zin-rubriek om me te helpen. Mijn kringwinkelgesnuister zorgt er ook voor dat ik vaak boeken lees die niet in 2014 werden uitgebracht.
Mijn top 3 van boeken die ik in 2014 las en die ook dit jaar werden gepubliceerd:
1. Herta Müller - Barrevoetse februari
2. Valeria Luiselli - De gewichtlozen
3. Hannah van Wieringen - hier kijken we naar
Mijn top 3 van boeken die ik in 2014 las, maar die reeds eerder werden gepubliceerd:
1. Herta Müller - De koning buigt, de koning moordt
2. Sara Maitland - Stilte als antwoord
3. Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel - Naar de stad
Samengevat: geef Herta Müller nog eens een (Nobel)prijs.
2. Welk boek verdient in 2015 een tweede kans?
De meeste poëziebundels wachten nog op een eerste kans. De boeiendste poëzie wordt sinds een paar jaren door vrouwen geschreven. Toch hebben de meeste mensen nog nooit gehoord van Maud Vanhauwaert, Els Moors of Hannah van Wieringen. Spijtig! Wat 'we' eraan kunnen doen? Ik zou het niet weten. De dames hebben een fris voorkomen, zijn welbespraakt, kennen het podium en schrijven goede poëzie. Waar kan een dichter nog meer in uitblinken om het verschil te maken?
3. Welke schrijver moet volgend jaar herontdekt worden?
De Russische dichter Joseph Brodsky. In 2010 brachten Dirk Roofthooft en Kris Defoort me met The Brodsky Concerts in de ban van zijn poëzie. Moet die man dan herontdekt worden, hoor ik u denken. Wel nee, hij heeft ook nu nog vele fans (onder andere Valeria Luiselli die een essay aan zijn graf wijdt in Valse papieren). Misschien had je me beter gevraagd: welke schrijver moet door de Nederlandstalige uitgeverijen herontdekt worden? Brodsky's werk is al jaren niet meer in een Nederlandse vertaling beschikbaar. Ik kocht een Engelstalige verzamelbundel, maar mijn Engels is niet goed genoeg om de nuances te begrijpen.
zondag 5 oktober 2014
Romans van een zomer
Nog voor mijn vakantie begon, vloog ik op een paar dagen tijd door Een zachte dood van Simone de Beauvoir. Ik kocht het samen met twee andere boeken van haar, beide non-fictie over het feminisme. Maar blah, daar had ik tijdens mijn laatste werkweek geen zin in. Het werd dus Een zachte dood, een relaas over het sterfbed van de Beauvoirs moeder. Verwacht geen zware, filosofische beschouwingen over de dood, maar wel een eerlijk, sober boek. De schrijfster analyseert niet alleen de vrouw die haar moeder was, maar ook zichzelf en hun onderlinge relatie. Wat is menswaardig leven? Wat is menswaardig sterven? De Beauvoir zet niet alleen vraagtekens, ze geeft ook onverbloemd haar eigen antwoorden, en die botsen meer dan eens met de visie van de medische wereld. De artsen beschouwen het als een overwinning als ze erin slagen haar moeder langer te laten leven, de Beauvoir wenst haar een snellere, zachte dood toe.
Na de Beauvoir las ik Spiegeldood, een kortverhalenbundel van Breyten Breytenbach. Deze zomer had ik zin in boeken over zee, zand, wind en wolk. Het eerste verhaal, Wiederholen, beantwoordde aan al die criteria. Breytenbach maakt van het strand een hoofdrolspeler. De personages van literair vlees en bloed spelen een bijrol. Die radicale keuze dompelt het verhaal onder in een mysterieuze sfeer. Een lezer wil zich met een hoofdrolspeler identificeren. Hoe doe je dat bij een kustlijn die geen herkenbare ogen, oren, neus of mond heeft? Alsnog zoog ik mijn empathische tentakels aan het verhaal vast en liet ik me meedrijven op de zee die Breytenbach onnavolgbaar beschrijft. Helaas konden niet alle verhalen aan die sterke opener tippen. Spiegeldood leest als een waaier van Breytenbachs kunnen. Een waaier die het verschil verkiest boven coherentie.
Ook Elfriede Jelinek, bekend van het verfilmde De pianiste, stak in mijn koffer. Ze is met drie boeken in mijn kast vertegenwoordigd, maar tot mijn schaamte moest ik bekennen dat ik er nog geen letter in had gelezen. Lust haalde de vakantiestapel. En dan nu: de eerste zin. Klaar?
Gordijnsluiers welven zich tussen de vrouw in haar huis en de overigen, die ook eigen woningen en eigen aardigheden bezitten.
Een zin die in verhouding tot wat volgt uitblinkt in eenvoud. Jelinek lees je niet tipsy van de rosé. Twintig bladzijden hield ik het vol. Waarover ging het? Een vrouw wordt door een man onderdrukt. Verder kwam ik niet. De zinnen wierpen me voortdurend van het spoor. Waar gaat dit toch over? Wie zegt dit? Wie denkt dat? Wahoebla? En toch, en toch: een intrigerend boek, een erg intrigerende stijl. Ik voelde me net zo toen ik Hartedier van Herta Müller las. Ik vind haar ondertussen een kanjer. Op sommige schrijvers moet ik kauwen voor ze 'klikken'. Jelinek is een kanjer die in de coulissen van mijn brein haar entrée geduldig voorbereidt.
Een zomer, daar hoorde ook een dartel boek van Charlotte Mutsaers bij. Deze keer werd het Rachels rokje. Net als Jelinek gebruikt ze een eigen taal en schept ze een al even eigen universum. Ze doet niet aan romans met een begin, midden en einde. Ze huppelt van de ene naar de andere scène, legt de rode draad in de marge en verdwaalt moedwillig in lange terzijdes. Mutsaers wervelt, zoals ook (Rachels) rokjes dat doen. Hoe zit dat nu met die Rachel? Wat heeft ze te vertellen? Iets over de liefde voor mensen (een man bijvoorbeeld) en voor dingen (een rokje bijvoorbeeld). Critici zetten Mutsaers soms onterecht weg als een faits divers-dametje. Haar verwondering over het banale, alledaagse, anekdotische is net wat haar van andere schrijvers onderscheidt. Bij haar gaat het niet om wat je vertelt, maar hoe je het vertelt. Een topauteur vult een boek met een beschrijving van de plooien van een rokje.
Helemaal aan het einde van de zomer leende een collega me Vertedering van Jamal Ouariachi. Je weet wel, dat boek met die oranje-gele cover met poes. Ik kende de schrijver enkel van een foto in de krant met zijn donkere bril en een weelderige bos krullen. Vertedering is alles wat Rachels rokje niet is. Ouariachi vertederde me evenzeer. Hij serveert een steengoed verhaal over een (naamloos) hoofdpersonage met een agressieprobleem. De enige relatie die hij in stand kan houden is die met zijn moeder. Een man die vrouwen fysiek aanvalt kan op weinig tot geen empathie rekenen, maar Ouariachi zet het hoofdpersonage op zo'n manier neer dat ik me alsnog om zijn lot bekommerde. Toch is Vertedering geen verdediging van mannen die vrouwen slaan.
Elke zomer is er ook dat ene boek dat net ietsje boven de andere uitsteekt, een boek dat ik overal mee naartoe nam: in het gras, onder de rozen, naast het schaaltje met olijven en het glas rosé of in de strandstoel onder de notelaar. Dit jaar was dat Naar de stad, een kortverhalenbundel samengesteld door Annelies Verbeke en Sanneke van Hassel. Ze verzamelden 39 verhalen van evenveel auteurs. Op de voor- of achtergrond speelt de stad. Een plek die zowel hel als hemel is. Ik las auteurs die ik reeds ken en apprecieer (Alejandro Zambra, Lydia Davis en Jumpha Lahiri). Weer andere schrijvers stonden al erg lang op mijn moet-ik-eindelijk-eens-lezen lijst (Ali Smith, Colm Tóibín en Anna Enright). Daarnaast leerde ik enkele nieuwe namen kennen die me met hun spitsvondigheid verrasten (Olga Tokarczuk, Henrietta Rose-Innes en Asef Soltanzadeh). Ik zou elk verhaal kunnen prijzen, maar dat zou me te ver leiden. Ontdek de 39 parels liever zelf. Je loopt enkel het risico van kortverhalen te gaan houden. Ik vermoed dat het nog lang zal duren voor je een andere bundeling vindt die met zoveel liefde voor het genre is samengesteld.
zondag 21 september 2014
Polsslag (over Julian Barnes)
De boeken van de vakantie, dat blogbericht heb je nog van me te goed, want vandaag babbel ik dit vakje vol over slechts een van de auteurs die ik deze zomer heb gelezen: Julian Barnes. Zijn Polsslag las ik een paar dagen geleden uit. De Brit is een oerdegelijke auteur van oerdegelijke verhalen. Help, zoveel degelijkheid in één zin, het klinkt bijna als een verwijt. Nee, zo bedoelde ik het niet.
Je kent het wel: je ogen dwalen van links naar rechts in je boekenkast, op zoek naar de roman waar je op dat moment zin in hebt. Auteur x kan je op dat moment niet bekoren, want te zacht; auteur y evenmin, want te hard; van auteur z vraag je je af hoe dat boek in je bezit is gekomen, vast een koopje in de kringwinkel. Hoe langer je twijfelt, hoe minder je tot een beslissing komt. Wat je zeker weet is dit: je wilt iets dat je goed zult vinden. Dan merk je dat er slechts een paar auteurs overblijven van wie je zeker bent dat hun werk ten minste goed, en in het beste geval schitterend, zal zijn.
Barnes is zo'n kanjer. Enkele jaren terug dropte Annelies Verbeke zijn naam tijdens een workshop kortverhalen schrijven. 'De citroentafel moet je lezen,' zei ze. Kort daarna kocht ik het boekje. Barnes zet een personage neer in een paar zinnen. Meer nog, de meest uiteenlopende personages weet hij met een paar woorden te tonen (mannen, vrouwen, dik, dun, oud, jong, de optimist en de pessimist). Soms kruipt hij in de huid van een outsider, maar meestal kiest hij voor herkenbare mannen en vrouwen die we ei zo na als grijze muizen zouden bestempelen. Polsslag wordt bevolkt door personages waarin je moeiteloos jezelf en je vrienden of familie herkent. Niet wat ze doen is bizar, maar wel hoe ze denken over de dingen die ze doen. Barnes behandelt zijn personages met respect, zet ze nooit te kijk voor de lezer. Juist daarom zijn ze zo makkelijk om van te houden.
De enige keer dat het me niet lukte enige empathie voor een karakter op te brengen, was in zijn roman Alsof het voorbij is. Het ex-liefje Veronica van het hoofdpersonage Tony Webster wilde ik een klap geven elke keer als haar naam op de pagina verscheen*. Ze is kwaad op de arme Tony, maar zegt nooit uitdrukkelijk waarom. Tot op de laatste bladzijde vroeg ik me af: wat drijft dat mens? Een antwoord kreeg ik niet. Jammer dat Barnes net voor deze roman de Man Booker Prize kreeg. Maar, zoals dat met prijzen gaat, beschouwde ik het eerder als een bekroning voor een oeuvre dan voor een specifiek boek. In dat geval: wel verdiend Julian.
Als ik de eenkoppige Booker-jury was, dan had ik hem ten tijde van zijn eerste nominatie in 1984 de prijs voor Flauberts papegaai gegeven. Daarin gaat ene Geoffrey Braithwaite, een ouder wordende arts wiens vrouw is overleden, op zoek naar de papegaai die Gustave Flaubert gezelschap hield tijdens het schrijven van Un Coeur Simple. Zijn zoektocht eindigt onbeslist. Twee musea claimen de enige echte opgezette papegaai te bezitten. Lees Flauberts papegaai voor de Britse flair, de liefde voor Frankrijk en de passie voor het schrijversvak; drie constanten in het werk van my dear Julian.
Wat me van Polsslag bijblijft zijn de dialogen. Nooit eerder viel me op dat Barnes het verbale pingpong tussen personages tot in de puntjes beheerst. Een degelijke dialoog valt je niet op, een slechte herken je onmiddellijk. De karakters klinken als een houten klaas of als een informatiebord. Uit schitterende dialogen zie je personages oprijzen. In Polsslag maken we tot drie keer toe een etentje bij Phil en Joanna mee, een koppel tussen de dertig en de veertig dat andere koppels van dezelfde leeftijd over de vloer heeft. Er wordt gepraat over onderwerpen waarover zulke koppels met elkaar praten (een mix van flauwe moppen, politiek, eten, drinken, onnozele wetenschappelijke onderzoeken, seks en onnozele wetenschappelijke onderzoeken over seks). Barnes zit er knal op. Je vraagt je geregeld af: heb ik niet onlangs op zo'n feestje gezeten?
* Tijdens de research voor dit bericht botste ik op een essay van Andrew Blackman over het Veronica-personage in Alsof het voorbij is. Ook hij ervoer enige frustratie telkens wanneer ze de roman binnenliep. Zijn essay lees je hier.
Je kent het wel: je ogen dwalen van links naar rechts in je boekenkast, op zoek naar de roman waar je op dat moment zin in hebt. Auteur x kan je op dat moment niet bekoren, want te zacht; auteur y evenmin, want te hard; van auteur z vraag je je af hoe dat boek in je bezit is gekomen, vast een koopje in de kringwinkel. Hoe langer je twijfelt, hoe minder je tot een beslissing komt. Wat je zeker weet is dit: je wilt iets dat je goed zult vinden. Dan merk je dat er slechts een paar auteurs overblijven van wie je zeker bent dat hun werk ten minste goed, en in het beste geval schitterend, zal zijn.
Barnes is zo'n kanjer. Enkele jaren terug dropte Annelies Verbeke zijn naam tijdens een workshop kortverhalen schrijven. 'De citroentafel moet je lezen,' zei ze. Kort daarna kocht ik het boekje. Barnes zet een personage neer in een paar zinnen. Meer nog, de meest uiteenlopende personages weet hij met een paar woorden te tonen (mannen, vrouwen, dik, dun, oud, jong, de optimist en de pessimist). Soms kruipt hij in de huid van een outsider, maar meestal kiest hij voor herkenbare mannen en vrouwen die we ei zo na als grijze muizen zouden bestempelen. Polsslag wordt bevolkt door personages waarin je moeiteloos jezelf en je vrienden of familie herkent. Niet wat ze doen is bizar, maar wel hoe ze denken over de dingen die ze doen. Barnes behandelt zijn personages met respect, zet ze nooit te kijk voor de lezer. Juist daarom zijn ze zo makkelijk om van te houden.
De enige keer dat het me niet lukte enige empathie voor een karakter op te brengen, was in zijn roman Alsof het voorbij is. Het ex-liefje Veronica van het hoofdpersonage Tony Webster wilde ik een klap geven elke keer als haar naam op de pagina verscheen*. Ze is kwaad op de arme Tony, maar zegt nooit uitdrukkelijk waarom. Tot op de laatste bladzijde vroeg ik me af: wat drijft dat mens? Een antwoord kreeg ik niet. Jammer dat Barnes net voor deze roman de Man Booker Prize kreeg. Maar, zoals dat met prijzen gaat, beschouwde ik het eerder als een bekroning voor een oeuvre dan voor een specifiek boek. In dat geval: wel verdiend Julian.
Als ik de eenkoppige Booker-jury was, dan had ik hem ten tijde van zijn eerste nominatie in 1984 de prijs voor Flauberts papegaai gegeven. Daarin gaat ene Geoffrey Braithwaite, een ouder wordende arts wiens vrouw is overleden, op zoek naar de papegaai die Gustave Flaubert gezelschap hield tijdens het schrijven van Un Coeur Simple. Zijn zoektocht eindigt onbeslist. Twee musea claimen de enige echte opgezette papegaai te bezitten. Lees Flauberts papegaai voor de Britse flair, de liefde voor Frankrijk en de passie voor het schrijversvak; drie constanten in het werk van my dear Julian.
Wat me van Polsslag bijblijft zijn de dialogen. Nooit eerder viel me op dat Barnes het verbale pingpong tussen personages tot in de puntjes beheerst. Een degelijke dialoog valt je niet op, een slechte herken je onmiddellijk. De karakters klinken als een houten klaas of als een informatiebord. Uit schitterende dialogen zie je personages oprijzen. In Polsslag maken we tot drie keer toe een etentje bij Phil en Joanna mee, een koppel tussen de dertig en de veertig dat andere koppels van dezelfde leeftijd over de vloer heeft. Er wordt gepraat over onderwerpen waarover zulke koppels met elkaar praten (een mix van flauwe moppen, politiek, eten, drinken, onnozele wetenschappelijke onderzoeken, seks en onnozele wetenschappelijke onderzoeken over seks). Barnes zit er knal op. Je vraagt je geregeld af: heb ik niet onlangs op zo'n feestje gezeten?
* Tijdens de research voor dit bericht botste ik op een essay van Andrew Blackman over het Veronica-personage in Alsof het voorbij is. Ook hij ervoer enige frustratie telkens wanneer ze de roman binnenliep. Zijn essay lees je hier.
zondag 16 maart 2014
Verwantschap (deel 1) - over Joanne Harris, Erwin Mortier en Annelies Verbeke
Of ik me verwant voel met bepaalde schrijvers? Die vraag stelde iemand me deze week. Mijn gesprekspartner van die dag omschrijft zichzelf als een proustien. Maandenlang verdiepte hij zich in Op zoek naar de verloren tijd. Hij wilde geen passage onnauwkeurig lezen of overslaan. Mettertijd kwam hij ook steeds meer over het leven van Proust te weten. Praten over de schrijver, was bijna als praten over iemand die hij goed had gekend. Of ik dat gevoel herkende?
Verwantschap voelen, wat betekent dat precies? Is het een verregaande vorm van (h)erkenning van een andere schrijver? Een identificatie? Dat laatste ging mijn gesprekspartner te ver. Hij hoedt zich voor bewondering of adoratie voor iconen. Dat is eerder iets voor bakvissen en Justin Bieber.
In 2000 raakte ik in de ban van de film Chocolat met Juliette Binoche. Nadien zag ik dat het verhaal op de gelijknamige roman van Joanne Harris is gebaseerd. Ze beheerst de kunst om over eten en drinken te schrijven zonder zich van clichés te bedienen.
Deze mond, met zijn zweem van bitterheid, zal mijn pittige sinaasappelschilletjes waarderen; die, met de lieve glimlach, de abrikozenharten die van binnen zacht zijn; dat meisje met het verwaaide haar zal de mediants heerlijk vinden; die levendige, montere vrouw de chocolade met paranoten. Voor Guillaume zijn het de florentines, keurig opgegeten boven een schoteltje in zijn nette vrijgezellenhuis. Narcisses voorkeur voor duotruffels wijst op het zachtmoedige hart onder het norse uiterlijk. Caroline Clairmont zal vannacht van krokante carameltoffees dromen en hongerig en prikkelbaar wakker worden. En de kinderen ... Chocoladekrullen, witte flikjes met gekleurde vermicelli, pain d'épice met vergulde randjes, marsepeinen vruchten in nestjes van geribbeld papier, pindabrokken, rotsjes, krakelingen, gemengde mislukkingen in pondsdozen ... Ik verkoop dromen, kleine luxe zaken, zoete onschuldige verlokkingen die een grote menigte heiligen met een smak op aarde doen neerkomen tussen de hazelnoten en de nogatines ...
Ook de andere romans van Harris bleken geen veredelde kookboeken. Haar verhalen worden gedreven door de manier waarop personages koken en eten. Ze prikkelt niet alleen mijn verbeelding, maar ook mijn neus en smaakpapillen. Schrijven deed ik in die tijd zelf nog niet, maar de zintuiglijkheid van Harris' teksten heeft sporen in mijn eigen werk nagelaten.
Negen jaar later schudde een andere auteur mijn wereld door elkaar. Zijn verhaal lezen zette me zelfs aan zelf te schrijven. Tijdens het passa porta festival van 2009 werd Erwin Mortier in de protestantse kerk in Brussel geïnterviewd. Op vraag van de interviewer las hij de eerste bladzijde van Godenslaap voor:
Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen. Voor het eerste woord, de eerste aanraking. De onrust wanneer zich de eerste zin moet vormen, en na de eerste de tweede. De onrust, en de opwinding, alsof je de wade wegtrekt waaronder een lichaam rust: slapend, of dood. Er is ook het verlangen, of de wensdroom, de pen om te smeden tot een ploegschaar en een pas beschreven vel weer blank te ploegen, dwars op de regels, voor na voor. Dan zou ik terugblikken op een spierwitte akker, op de restanten die het ploegijzer naar boven heeft gewoeld: doorroeste emmers, stukken prikkeldraad, botsplinters, bedspijlen, een blindganger, een trouwring.
Misschien is dit wel de mooiste eerste bladzijde in mijn boekenkast? Mortier heeft een neus voor het juiste en het mooiste woord. Zijn zinnen bewegen zich elegant, via alle leestekens waarvan het Nederlands zich mag bedienen, van hoofdletter naar punt. Hij beheerst de taal en is een rasechte verteller.
Hoewel Mortier bijna twintig jaar ouder is dan ik, herken ik dingen die zijn personages meemaken, zoals de jonge jongens die door de vrouwen in de familie worden opgevoed of de uren van verveling eigen aan een jeugd in een pre-internettijdperk. Mijn bewondering voor de man was groot. Ik wilde hem niet alleen lezen, ik wilde ook kunnen schrijven zoals hij. Helaas, en gelukkig, is er slechts één Erwin Mortier. Mijn probeersels waren bombastische kopieën. Wat ik tot op vandaag van hem meedraag, is zijn voorliefde voor oudere, vrouwelijke (hoofd)personages.
Juist na Mortier raakte ik verslaafd aan het werk van Annelies Verbeke. Nochtans was het geen liefde op het eerste gezicht. Haar debuut Slaap! kon me niet over de hele lijn overtuigen. Bij momenten miste ik ietsje meer diepgang. Slaap!, maar ook haar andere romans en kortverhalen, stikt van de personages en situaties die de meeste mensen als abnormaal zouden bestempelen. Het hoofdpersonage Maya komt na een ongelukkige val met de fiets in het ziekenhuis terecht. Ze deelt een kamer met Olga, een ex-frituuruitbaatster die verslaafd is aan tv-quizzen, vals spelen en roken op plaatsen waar dat niet mag. Maya ontwaakt uit de narcose en dan gebeurt dit:
Olga kon mijn naam niet onthouden. Ik had hem drie keer gespeld en hoewel ze na de derde keer 'Ah, zoals de bij' had geroepen, was ze mij daarna koppig 'Magda' gaan noemen. Mijn nieuwe naam deed verdacht veel denken aan een dorpssupermarkt of een goedkoop merk diepvriesvoeding, maar klonk toch beter dan Dinges. Bovendien had ik er geen behoefte aan mijn oude naam te horen. Het leek mij wijs ervan uit te gaan dat er voor mijn aankomst in het ziekenhuis helemaal niets gebeurd was. Ik was Magda met het geschoren hoofd en de blauwe pandabril. Nieuwer kon een begin niet zijn.
Verbeke laat haar personages struikelend binnenkomen en strompelen op de scène. Ze slaat de deur van elk hoofdstuk op een beslissing moment dicht. Haar woordkeuze is zuiver, correct en sluit aan bij de leefwereld van de personages. Verbekes voorliefde voor het gebalde en gewiekst schrale proza van Raymond Carver schemert tussen de regels. Dankzij haar sobere en laconieke stijl zet ze de meest bizarre situaties op een geloofwaardige manier neer. Onrechtstreeks plaatst ze daardoor vraagtekens bij gedrag dat als (on)conventioneel door de samenleving wordt beschouwd.
Nog voor ik met het werk van Verbeke kennismaakte, hield ik ervan mijn personages in bizarre situaties te droppen. Een nieuwe wereld neerzetten is voor elke schrijver een uitdaging. Je leert de grenzen van geloofwaardigheid kennen en verleggen. Jammer genoeg werd mijn voorliefde voor het absurde op de duur contraproductief. Het verhaal dat ik echt wilde vertellen, verdween onder een absurdistische saus. Dat kon niet de bedoeling zijn.
Dezer dagen sluit mijn schrijfstijl stilistisch gezien het meest aan bij die van Verbeke. Mijn taal is eenvoudig en sober. Twijfel ik over een woord, dan vliegt het in de vuilbak. Met het absurde moet ik het in de toekomst op een akkoordje gooien. Ooit komt het weer helemaal goed tussen ons twee.
Lees ook over mijn verwantschap met:
Alessandro Baricco
Diana Athill, Herta Müller en Valeria Luiselli
Jón Kalman Stefánsson
Virginia Woolf
Vincent Van Gogh
Verwantschap voelen, wat betekent dat precies? Is het een verregaande vorm van (h)erkenning van een andere schrijver? Een identificatie? Dat laatste ging mijn gesprekspartner te ver. Hij hoedt zich voor bewondering of adoratie voor iconen. Dat is eerder iets voor bakvissen en Justin Bieber.
In 2000 raakte ik in de ban van de film Chocolat met Juliette Binoche. Nadien zag ik dat het verhaal op de gelijknamige roman van Joanne Harris is gebaseerd. Ze beheerst de kunst om over eten en drinken te schrijven zonder zich van clichés te bedienen.
Deze mond, met zijn zweem van bitterheid, zal mijn pittige sinaasappelschilletjes waarderen; die, met de lieve glimlach, de abrikozenharten die van binnen zacht zijn; dat meisje met het verwaaide haar zal de mediants heerlijk vinden; die levendige, montere vrouw de chocolade met paranoten. Voor Guillaume zijn het de florentines, keurig opgegeten boven een schoteltje in zijn nette vrijgezellenhuis. Narcisses voorkeur voor duotruffels wijst op het zachtmoedige hart onder het norse uiterlijk. Caroline Clairmont zal vannacht van krokante carameltoffees dromen en hongerig en prikkelbaar wakker worden. En de kinderen ... Chocoladekrullen, witte flikjes met gekleurde vermicelli, pain d'épice met vergulde randjes, marsepeinen vruchten in nestjes van geribbeld papier, pindabrokken, rotsjes, krakelingen, gemengde mislukkingen in pondsdozen ... Ik verkoop dromen, kleine luxe zaken, zoete onschuldige verlokkingen die een grote menigte heiligen met een smak op aarde doen neerkomen tussen de hazelnoten en de nogatines ...
Ook de andere romans van Harris bleken geen veredelde kookboeken. Haar verhalen worden gedreven door de manier waarop personages koken en eten. Ze prikkelt niet alleen mijn verbeelding, maar ook mijn neus en smaakpapillen. Schrijven deed ik in die tijd zelf nog niet, maar de zintuiglijkheid van Harris' teksten heeft sporen in mijn eigen werk nagelaten.
Negen jaar later schudde een andere auteur mijn wereld door elkaar. Zijn verhaal lezen zette me zelfs aan zelf te schrijven. Tijdens het passa porta festival van 2009 werd Erwin Mortier in de protestantse kerk in Brussel geïnterviewd. Op vraag van de interviewer las hij de eerste bladzijde van Godenslaap voor:
Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen. Voor het eerste woord, de eerste aanraking. De onrust wanneer zich de eerste zin moet vormen, en na de eerste de tweede. De onrust, en de opwinding, alsof je de wade wegtrekt waaronder een lichaam rust: slapend, of dood. Er is ook het verlangen, of de wensdroom, de pen om te smeden tot een ploegschaar en een pas beschreven vel weer blank te ploegen, dwars op de regels, voor na voor. Dan zou ik terugblikken op een spierwitte akker, op de restanten die het ploegijzer naar boven heeft gewoeld: doorroeste emmers, stukken prikkeldraad, botsplinters, bedspijlen, een blindganger, een trouwring.
Misschien is dit wel de mooiste eerste bladzijde in mijn boekenkast? Mortier heeft een neus voor het juiste en het mooiste woord. Zijn zinnen bewegen zich elegant, via alle leestekens waarvan het Nederlands zich mag bedienen, van hoofdletter naar punt. Hij beheerst de taal en is een rasechte verteller.
Hoewel Mortier bijna twintig jaar ouder is dan ik, herken ik dingen die zijn personages meemaken, zoals de jonge jongens die door de vrouwen in de familie worden opgevoed of de uren van verveling eigen aan een jeugd in een pre-internettijdperk. Mijn bewondering voor de man was groot. Ik wilde hem niet alleen lezen, ik wilde ook kunnen schrijven zoals hij. Helaas, en gelukkig, is er slechts één Erwin Mortier. Mijn probeersels waren bombastische kopieën. Wat ik tot op vandaag van hem meedraag, is zijn voorliefde voor oudere, vrouwelijke (hoofd)personages.
Juist na Mortier raakte ik verslaafd aan het werk van Annelies Verbeke. Nochtans was het geen liefde op het eerste gezicht. Haar debuut Slaap! kon me niet over de hele lijn overtuigen. Bij momenten miste ik ietsje meer diepgang. Slaap!, maar ook haar andere romans en kortverhalen, stikt van de personages en situaties die de meeste mensen als abnormaal zouden bestempelen. Het hoofdpersonage Maya komt na een ongelukkige val met de fiets in het ziekenhuis terecht. Ze deelt een kamer met Olga, een ex-frituuruitbaatster die verslaafd is aan tv-quizzen, vals spelen en roken op plaatsen waar dat niet mag. Maya ontwaakt uit de narcose en dan gebeurt dit:
Olga kon mijn naam niet onthouden. Ik had hem drie keer gespeld en hoewel ze na de derde keer 'Ah, zoals de bij' had geroepen, was ze mij daarna koppig 'Magda' gaan noemen. Mijn nieuwe naam deed verdacht veel denken aan een dorpssupermarkt of een goedkoop merk diepvriesvoeding, maar klonk toch beter dan Dinges. Bovendien had ik er geen behoefte aan mijn oude naam te horen. Het leek mij wijs ervan uit te gaan dat er voor mijn aankomst in het ziekenhuis helemaal niets gebeurd was. Ik was Magda met het geschoren hoofd en de blauwe pandabril. Nieuwer kon een begin niet zijn.
Verbeke laat haar personages struikelend binnenkomen en strompelen op de scène. Ze slaat de deur van elk hoofdstuk op een beslissing moment dicht. Haar woordkeuze is zuiver, correct en sluit aan bij de leefwereld van de personages. Verbekes voorliefde voor het gebalde en gewiekst schrale proza van Raymond Carver schemert tussen de regels. Dankzij haar sobere en laconieke stijl zet ze de meest bizarre situaties op een geloofwaardige manier neer. Onrechtstreeks plaatst ze daardoor vraagtekens bij gedrag dat als (on)conventioneel door de samenleving wordt beschouwd.
Nog voor ik met het werk van Verbeke kennismaakte, hield ik ervan mijn personages in bizarre situaties te droppen. Een nieuwe wereld neerzetten is voor elke schrijver een uitdaging. Je leert de grenzen van geloofwaardigheid kennen en verleggen. Jammer genoeg werd mijn voorliefde voor het absurde op de duur contraproductief. Het verhaal dat ik echt wilde vertellen, verdween onder een absurdistische saus. Dat kon niet de bedoeling zijn.
Dezer dagen sluit mijn schrijfstijl stilistisch gezien het meest aan bij die van Verbeke. Mijn taal is eenvoudig en sober. Twijfel ik over een woord, dan vliegt het in de vuilbak. Met het absurde moet ik het in de toekomst op een akkoordje gooien. Ooit komt het weer helemaal goed tussen ons twee.
Lees ook over mijn verwantschap met:
Alessandro Baricco
Diana Athill, Herta Müller en Valeria Luiselli
Jón Kalman Stefánsson
Virginia Woolf
Vincent Van Gogh
Abonneren op:
Posts (Atom)
