vrijdag 22 juni 2018

Af en toe een fragment - Ali Smith

Words don't get grown, Elisabeth said.
They do, Daniel said.
Words aren't plants, Elisabeth said.
Words are themselves organisms, Daniel said.
Oregano-isms, Elisabeth said.
Herbal and verbal, Daniel said. Language is like poppies. It just takes something to churn the earth round them up, and when it does up come the sleeping words, bright red, fresh, blowing about. Then the seedheads rattle, the seeds fall out. Then there's even more language waiting to come up.

Fragment uit Autumn van Ali Smith.

dinsdag 19 juni 2018

Kortverhaal: Lavaland (deel 2)

Lavaland
Foto: Gian-Reto Tarnutzer
Einar neemt een ei uit de schaal en zet het in een dopje. Met een mes slaat hij de kop eraf. De dooier piept hardgekookt door de witte kraag. Hij schuift het ei en een snede brood naar Kristín. Ze kijkt niet eens op, blijft werktuiglijk over de buik van de koffiekan wrijven. Einar draait het handvat naar zich toe en vraagt of ik koffie wil. Kristín wrijft verder in het ijle. Een paar minuten geleden stelde hij me dezelfde vraag en schonk mijn kop tot aan de rand vol. Ik heb er sindsdien niet meer van gedronken.
Einar snijdt een boterham in stukken en helpt Kristín met eten. Ze zuigt meer op het brood dan dat ze erop bijt. Plots verstarren haar lippen. Een nat broodpropje valt op de tafel. Speeksel loopt uit haar mondhoek. Verschrikt veeg ik met een servet over mijn eigen lippen. Einar ruimt het brood op en geeft haar een nieuw stuk. Hij pelt haar ei en steekt het in één keer in zijn mond.
Ik zou mededogen moeten voelen, maar het lukt me niet. Ik wil ze allebei door elkaar schudden. Iemand moet hen uit deze halfslaap halen. Zou het niet heerlijk zijn om het tafelkleed weg te trekken en het servies op de vloer aan diggelen te zien vallen?

*

Na de diagnose verkaste Kristín haar dagboeken naar de logeerkamer. Mijn vingers glijden over de genummerde ruggen. Geen letter heb ik er ooit in gelezen. Vroeger bewaarde ze een dagboek onder haar hoofdkussen. De nieuwsgierigheid tintelde in mijn jonge vingers, maar moeder peperde me in dat ik daaraan nooit mocht toegeven. Aangezien ik geloofde dat ze alles zag en hoorde, ook als ze niet thuis was, durfde ik het boek niet te pakken.
Mijn vinger rust op de vervormde rug van het dagboek uit het jaar dat we naar Gullfoss gingen. Kristín zat op een rots langs de waterval in haar dagboek te schrijven. Plots schoof haar pen uit op het blad. Het boek viel van haar knie in het snelstromende water. Einar kon het doorweekte schrift juist op tijd pakken. Ze legde het een paar dagen te drogen en schreef nadien verder op de golvende bladzijden. Haar pen liet het papier kraken alsof het na die duik geen letters meer verdroeg. Ik noemde het haar zuchtende dagboek. Dat geluid klonk al gauw vertrouwd in mijn oren.HHH Ik miste het toen ze met een nieuw schrift begon.

Ik neem het laatste dagboek van het schap. Uit vrees door Einar te worden betrapt, draai ik me om. Het licht op de overloop is uit. Ik sla het dagboek op de eerste ongelijnde bladzijde open. Rechts bovenaan heeft Kristín haar naam geschreven. Op de eerste gelijnde pagina staat geen woord of datum. Ook de rest van het schrift is blanco.
Ze wist al vóór de diagnose dat er iets destructiefs in haar lichaam zat. Zodra ze merkte dat ze meer vergat dan vroeger, liet ze zich onderzoeken. Ik vond dat ze overdreef. Een naam of een plaats vergeten, was op haar leeftijd normaal. In afwachting van de resultaten leende ze in de bibliotheek alles wat ze over dementie kon vinden. Een paar dagen later stond ze onverwacht voor mijn deur.
‘Waar is Einar?’ vroeg ik.
‘Thuis,’ zei ze.
Ze vroeg of ze die avond bij mij mocht blijven slapen.

‘Ik zit in het begin,’ zei ze.
‘Maar hoe weet je dat?’ vroeg ik.
Ze nam een slok van haar kop koffie en zweeg.
‘Je wacht nog op de resultaten van de dokter,’ zei ik.
‘Ik zal …’ zei ze. ‘Nee, ik moet het tot op het einde volhouden. Er zit niets anders op.’
Ze leek haar ziekte als een juweel te willen dragen. Het klonk als een misplaatste vorm van trots in mijn oren. Trots was het laatste waar ze zich aan zou kunnen optrekken.
De volgende ochtend keerde ze terug naar huis. Daarna heb ik haar stem nooit meer gehoord. Ze stopte met spreken. Sindsdien loopt alle communicatie via Einar. Tot vandaag gist hij naar wat ze wil zeggen. De huisarts kon door haar stilzwijgen haar gezondheidstoestand moeilijk inschatten. In het begin zag ik aan haar ogen dat ze zeer goed wist wat er om haar heen gebeurde. Naarmate de jaren verstreken, verloor ze die alerte blik. Niemand weet precies wanneer de taal haar echt in de steek heeft gelaten.

In haar dagboeken registreerde Kristín een tijd die langzaam uit haar verdwijnt. Hoe minder ze weet, hoe spottender de ruggen zich op het schap manifesteren. Haar woorden en zinnen zijn ijdel. De enige die ze zin kan geven, is zijzelf.

Ik zou haar passages kunnen voorlezen, maar ze begrijpt de woorden niet meer. Ik zou de volumes zelf kunnen lezen, maar dat wil ik niet. Kon ik maar met haar praten zoals vroeger. Het maakt me niet uit wat ze nog weet. De rest verzinnen we samen.

dinsdag 12 juni 2018

Kortverhaal: Lavaland (deel 1)

Lavaland
Foto: Jeremy Bishop
‘Een kop koffie,’ zeg ik, ‘zonder melk of suiker.’ De ober kijkt me aan alsof hij verwacht dat ik nog wat extra zal bestellen. Ik schud mijn hoofd. Ik zou hem veel liever iets willen geven: mijn hersenen. Neem ze maar mee, denk ik, en gooi ze in een ijsemmer. Vervolgens openen we het schuifraam en legen we de emmer in de Tjörnin. Ik wil zien hoe mijn brein het wateroppervlak breekt.
Als de ober straks bij het serveren van de koffie zegt: mevrouw, u sterft niet vandaag, en ook niet morgen, u komt er weer bovenop. Dan zou ik hem wel geloven.
Leken de dokters van Reykjavík maar meer op hem. Waarom oogden ze niet zo zacht en ongeschonden? Waarom geloofden ze niet dat ik mijn lichaam beter ken dan de onzin die ze uit hun onderzoeken halen? Dokters praten en patiënten moeten luisteren. Ik heb de hele dag geluisterd en heb het voorschrift voor het antidepressivum aangenomen. Ik heb geknikt bij het advies van de neuroloog om te praten met een psycholoog. Volgens hem is er geen sprake van dementie. Ik heb enkel last van neerslachtige episodes. Zijn woorden, niet de mijne. Zijn conclusie kan me geen barst schelen. Hij weet niet hoe het voelt om te ontwaken in je huis en je slaapkamer niet meteen te herkennen. Hij kan zich met zijn onfeilbare brein niet voorstellen hoe het voelt om de sleutel van je voordeur niet meer te vinden en het raam te moeten breken om binnen te raken. Hij weet niet hoe het voelt om met een drukkend, bijna verlammend gevoel in je buik op zoek te gaan naar de wc. Je trekt alle deuren open, maar vindt de juiste kamer niet.

De oudere dame twee tafeltjes verderop knikt me toe. Ze denkt dat we gelijkgestemden zijn, dat we allebei urenlang koffie kunnen drinken en naar de aan en af vliegende vogels op de Tjörnin kunnen kijken. Ze denkt dat onze buiken tegelijkertijd kriebelen als een vliegtuig laag over het meer vliegt, om even later te landen op de luchthaven van Reykjavík.
Heb je die vogel daar gezien, zal ze vragen. Omdat het leuk is bij de koffie een gesprek aan te knopen. Ze vraagt ook of ik de eend kopje onder zag gaan. Ik knik.
Een plekje als dit bestond niet toen ik jong was, zal ik zeggen, anders had ik hier veel gezeten. Een leugen om de sfeer niet te bederven. Om buitenshuis koffie te drinken, had ik toen geen geld.
Om het gesprek niet te laten stilvallen, laat ze me foto’s van haar kinderen en kleinkinderen zien. Ze wil weten hoeveel ik er heb.
Ik heb een dochter, zeg ik. Ik moet haar bellen om te vertellen wat ze allang vermoedt. Dat mijn kop vol gaten zit. Alleen de dokters geloven me niet.

‘Hulda?’ Einars stem krast in mijn mobiele telefoon. ‘Kom je eten? Kristín zit al aan tafel.’
De dame is verdwenen. Haar lege stoel staart me verwijtend aan.
‘Het is zes uur,’ zegt hij. ‘Waar ben je?’
De ober zet de stoelen op de tafels. Ik wenk hem en wijs naar mijn handtas. Eindelijk, zie ik hem denken.
‘Hulda? Ben je daar? Hallo?’
‘Ik ben hier,’ zeg ik. ‘Ik ben de tijd uit het oog verloren.’
Mijn koffie is koud geworden.
‘Je zus wil regelmaat,’ zegt Einar. ‘Kom zo snel mogelijk eten.’ Hij gooit de telefoon dicht.
‘Het uitzicht op de Tjörnin is schitterend,’ zeg ik tegen de dode lijn. ‘De lucht is helder als glas. Het wordt eindelijk zomer.’

*

Ik druk op de bel en het vertrouwde gerinkel weerklinkt in de gang. De namen van Einar en Kristín op het smalle strookje papier onder de drukknop zijn vervaagd. Ik zet een stap achteruit en bekijk het huis. De deur blijft gesloten.
Ik bel een tweede keer aan. De deur wordt traag tot op een kier geopend. Een hand klemt zich aan de zijkant vast. Hij of zij maakt geen aanstalten me binnen te laten. Mijn adem stokt en het schaamrood vlamt op mijn wangen. Ik heb me vergist, ik sta voor het verkeerde huis. Ik ben betrapt door een vreemde die me de schaamte wil besparen door zijn gezicht niet te laten zien. Bel alsjeblieft de politie niet, wil ik tegen de hand zeggen. Ik verdwijn geruisloos uit uw leven, maar wijs me alsjeblieft de weg naar het huis van mijn familie. Ze wonen in de buurt. Ik ken hun adres. Ik ken hun namen.
Een tweede hand, met bredere vingers en een behaarde rug, doet de deur verder open. ‘Kom hier,’ hoor ik Einar zeggen. Hij zet een stap opzij om me binnen te laten. Kristín staat naast hem.
‘Ik moest naar de wc,’ zegt hij. ‘Ze heeft in geen maanden op de deurbel gereageerd.’ Vroeger nam hij me apart om zulke zaken te vertellen. Sinds kort praten we over mijn zus in haar bijzijn. Volgens hem maakt het niets uit. Haar vermogen om woorden en zinnen te begrijpen is gelijk aan dat van een kleuter.
‘Kom binnen,’ zegt hij. ‘Straks vat Kristín kou.’

Hij haakt zijn vrije arm in de mijne en trekt me over de drempel. Ik hoef zijn betutteling niet. Een klap kan hij van me krijgen. Ik heb zonder hulp de weg hiernaartoe gevonden. Dat laatste stukje was me ook zonder hem gelukt. Ik duw zijn hand weg. Hij kijkt me aan alsof hij me per ongeluk naakt in de badkamer heeft betrapt. Kristín hangt afwezig aan zijn arm.

dinsdag 5 juni 2018

Af en toe een fragment: Anaïs Nin

Ik loop rond in een spookhuis op Coney Island. De grond geeft mee onder mijn voeten. Het zijn de ironieën die de grond opslokken en je duizelig gestrand achterlaten. Ironie van nooit te juister tijd komende liefdes, van tragedies die geen tragedies zouden moeten zijn, van passies die elkaar missen als gericht door blinde mensen, van blinde wreedheden en nog blinder liefdes, van niet bij elkaar passende elementen en bedrieglijke vervullingen. Iedere verwezenlijking is geen hoogtepunt maar een misleiding. Het patroon schijnt tot een einde te komen en blijkt alleen maar een nieuwe knoop.

Fragment uit Dagboek 1931 - 1934 van Anaïs Nin.

dinsdag 29 mei 2018

Lezer gevonden: Hazim Kamaledin

Hazim Kamaledin
In de rubriek Lezer gevonden leg ik één keer per maand een gepassioneerde lezer op de rooster. Wie zijn ze? Wat doen ze? En vooral: hoe doen ze het? Deze maand is het de beurt aan Hazim Kamaledin. Hazim is schrijver, theatermaker en bestuurslid van PEN-Vlaanderen.

Wat is het eerste boek dat je las?
Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski. Niet door eigen wil. Mijn tante, een dichteres en theatermaakster, wilde dat ik snel volwassen werd.
Wat is het eerste boek dat je kocht?
Doctor Faustus van Christopher Marlowe. Iemand raadde me het boek aan toen ik een monoloog zocht voor een auditie in het conservatorium van Bagdad.
Wat is je favoriete moment van de dag om te lezen?
Van 8:30u tot 12u.
Wat is je favoriete plaats om te lezen?
De woonkamer of op café.
Wat is het laatste boek dat je cadeau kreeg?
Drie Arabische romans.
Wat is het laatste boek dat je cadeau gaf?
Ivo Van Hove van Emile Schra.
Maak je aantekeningen en ezelsoren in boeken?
Ja.
Rangschik jij je boeken alfabetisch?
Neen. Ik rangschik ze op basis van mijn belangstelling.
Welk personage zag je liever in leven blijven?
Ik wil niemand zien sterven. Dat is natuurlijk een utopie.
Heb je ooit een boek geleend en nooit teruggeven?
Ja.
Boeken kopen of boeken lenen?
Kopen. Ik kan niet tegen lenen.
Welk boek ligt op je nachtkastje?
Een boek van  de Poolse theaterleraar Jerzy Grotowski.
Welk boek neem je mee naar een onbewoond eiland?
De volledige oeuvre van de Iraakse dichter Badr Shaker Al Sayab.
E-reader of papier?
Papier.
Koop je boeken online of in de boekhandel?
Beide.
Met welk personage wil je de lakens delen?
Ik voel me verwant met Amadeus in de film van Milos Forman. Tijdens het passen van pruiken zegt hij: ‘Ze zijn allemaal zo mooi. Waarom heb ik geen drie hoofden?’

Hazim Kamaledin
In 2016 publiceerde Hazim zijn roman Schoonheid raast in mij tot ik sterf
Fictie of non-fictie?
Fictie.
Dichtbundel of roman?
Geef me een roman.
Welk boek wil je nog graag lezen?
Honderden!
Welke klassieker krijg je maar niet uitgelezen?
Het oeuvre van Lev Tolstoj.
Welke zin had je zelf graag geschreven?
To be or not to be.
Welk boek deed je huilen?
Het proces van Franz Kafka.
Boekenclubs: yay or nay?
Yay.
Zelfhulpboeken: yay or nay?
Nay.
Raymond Carver of Marcel Proust?
Marcel Proust.
Virginia Woolf of Agatha Christie?
Virginia Woolf.
Eet of drink je tijdens het lezen?
Drinken, maar niet veel.
Heb je een mening over kookboeken?
Ik experimenteer liever zelf in de keuken.
Welke film is beter dan het boek?
Er zijn er veel. Ik denk onder andere aan One Flew Over the Cuckoo's Nest van Milos Forman, een film gebaseerd op een boek van Ken Kesey.
Welk boek wil je graag verfilmd zien?
Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans.
Kun je in een rijdende auto lezen?
Moeilijk.
Het boek met de mooiste titel ooit is …
The Unbearable Lightness of Being van Milan Kundera.
Het boek met de mooiste cover ooit is …
Ik heb duizenden boeken gelezen en zag er nog veel meer in boekhandels en bibliotheken. Elk tijdperk heeft een eigen smaak.
Paperback of hardback?
Geef me een hardback. Mijn boeken blijven zeer lang naast me liggen, zelfs lang nadat ik ze heb uitgelezen. 
Lees je één boek per keer of verschillende tegelijkertijd?
Tegenwoordig lees ik verschillende boeken tegelijkertijd. Ik ervaar het als een misvorming, maar het is sterker dan mezelf.  
In welke taal zou je graag kunnen lezen?
Frans.
En de literatuur, hoe is het daarmee gesteld volgens jou?
Onze hedendaagse wereld evolueert bliksemsnel. Literatuur mag niet blijven hangen in het traag beantwoorden van die evolutie. De schrijver moet in de eerste plaats met de lezer communiceren.

Hazim Kamaledin
Cabaret, de derde roman van Hazim
Meer interviews lezen? Klik hier