donderdag 9 februari 2017

Magazine gelezen: Kinfolk

Kinfolk Work Special
Cover van Kinfolk - Work Special
Nieuwsgierigheid, meer was het niet. Een geval van herhaling, dat ook. Als ik op korte tijd een naam vaak hoor of zie, dan is het alsof het universum (= Google?) me zegt dat ik die naam moet leren kennen. Het lifestylemagazine Kinfolk zag ik plots overal opduiken: in krantenwinkels, boekhandels, maar vooral online. Kinfolk: yay of nay? Ik wilde het weten.

Kinfolk is meer dan een lifestylemagazine. Kinfolk is een lifestyle, de antipode van The Rich Kids of Instagram – een account waarop rijke tieners tonen hoe ze zoveel mogelijk geld op zo kort mogelijk tijd verbrassen. Ook de volgelingen van Kinfolk laten zich op sociale media graag zien, maar dat lijkt op het eerste gezicht het enige dat ze met de rich kids delen. Ze nemen foto’s van de nieuwste Kinfolk op hun tweedehandssalontafel samen met een close-up van een kop koffie, een boeket pastelkleurige bloemen of een toast met avocadospread. Ze wonen in witgeverfde huizen met zorgvuldig uitgekozen meubels, tafels en gebruiksvoorwerpen in natuurlijke materialen. De ideale Kinfolklezer is creatief en anti-individualistisch. Hij of zij trekt zich bewust terug uit de ratrace van het kapitalisme en kiest voor een duurzaam, aandachtig en traag leven.

*

Verdomme die Kinfolk, wat een hebbeding! Die gedachte zoeft door mijn hoofd terwijl ik in de winkel in het nummer blader. Dik en zacht papier, knappe foto’s, sober Engels; zoiets kan ik niet laten liggen. Dat heb ik wel vaker gedacht, maar ik legde het magazine even vaak terug in het rek omdat de prijs – achttien euro – me tegenhield.
   Kinfolk is reclamevrij las ik online. Een gedurfde keuze met een prijs. Een prijs die wordt doorgerekend aan de klant. Ik kan erover blijven zeuren, kan blijven talmen. Een reclamevrij magazine? Respect, denk ik dan. Ik ga naar de kassa, betaal en neem dat hebbeding – die lifestyle van 192 pagina’s dik – mee naar huis.

*

Afzetters! Dat is het eerste wat ik denk wanneer ik thuis begin te lezen. Op zestien van de eerste negentien pagina’s staat reclame. Mijn verontwaardiging zakt een beetje als blijkt dat er verderop in het nummer, op één pagina na, geen reclame wordt gemaakt. Nou goed, als het er dan toch in moet staan, dan word ik er alleen in het begin mee lastiggevallen.

*

Work
Kinfolk
De modellen van Kinfolk
The structure of bamboo is like an antenna. It makes you feel calm because is catches all of the noise and vibrations. It cleans the space and the atmosphere. – Laurent Martin  
Kinfolk – Work Special bestaat uit vier delen: Starters, Features, Work en Directory. Het thema van het nummer spreekt me aan dus ik spring meteen naar het derde deel, Work, dat opent met een modeshoot. Twee vrouwelijke modellen kijken een tikje zurig in de lens en dragen oversized kledingstukken. De merken klinken duur. Dit is het soort hipsterdom waar ik de kriebels van krijg. Kinfolk promoot een trager leven – minder werken, meer genieten – maar publiceert tegelijkertijd mode die een traag levend mens zich niet kan veroorloven.
   Maar opnieuw, en gelukkig, zakt mijn verontwaardiging. Het volgende stuk, een interview met kunstenaar Laurent Martin, is inspirerend. De man maakt mobiles van bamboe en dikke, donkere ballen. Zijn werken – licht, luchtig en groots – komen perfect tot hun recht dankzij de paginagrote foto’s. Laurent begon zijn carrière in de reclame, maar koos op latere leeftijd voor de kunst. Hij leeft het perfecte Kinfolkleven, van rags naar riches, van de drukke reclamewereld naar de contemplatieve kunstenaarswereld. In zijn schaars ingerichte werkruimte ligt geen vlokje stof, of dat is toch wat de foto’s me doen geloven.

*

Directory
Kinfolk
Interview over patronen met Philip Ball
'It has generally been found that for all kinds of stimuli – including art and music, as well as in our homes – people tend to prefer some kind of compromise.  This reflects a feature of the human brain: There’s an ideal of stimulation that pleases us most. Too little and we’re bored; too much and we’re confused.' – Philip Ball 
In Directory, het vierde deel van Kinfolk, worden enkele boeken belicht: Patterns van Peter Koepke (over patronen), Diary of a Nose van Jean-Claude Ellena (over parfum) en The Kate Inside van Guido Harari (over foto’s van singer/songwriter Kate Bush). Daarnaast twee korte stukken over de kunstenaars Hiroshu Sugimoto en Ruth Asawa, en tot slot een kruiswoordpuzzel en een vraag & antwoord met curator Hans Ulrich Obrist. Een indrukwekkende en gevarieerde lijst van titels en namen. Maar waarom? Dat vraag ik me af. Waarom nu net deze titels en deze namen? Het lijkt alsof Kinfolk een papieren versie heeft gemaakt van de Ik doe een gok-knop van Google. Als lezer verdwaal ik tussen de willekeurig gekozen onderwerpen.  

*

Starters
Kinfolk
Esperanza Spalding over roerei
'Everytime I saw an African film at school, I walked out feeling half as tall. The subjects were always war, poverty and disease. Of course these stories should be told but if that’s the only thing that you see there’s no balance.' – Therese Traore Dahlberg
Ik spring naar deel één, Starters, op zoek naar een rode draad in het magazine. Al gauw raak ik ook in dit deel het spoor bijster door een overdonderd aanbod aan artikels over uiteenlopende onderwerpen – communicatie, uitstelgedrag, de kleur International Klein Blue enzoverder enzovoort – en mensen – kunstenaar Pablo Picasso,  singer/songwriter Esperanza Spalding, designer Christopher Esber enzoverder enzovoort. Dat verdwalen werkt me op de zenuwen. Het blad ziet er vormelijk strak geregisseerd uit, maar inhoudelijk raakt het kant noch wal.
   Ergens halfweg Starters, ik heb dan al meer dan de helft van Kinfolk gelezen, gaat het me dagen dat niet alleen het derde deel Work aan het thema van het winternummer is gewijd, maar dat het hele magazine over werk gaat.
   Een houvast, eindelijk. En die rode draad helpt me als lezer, maar niet genoeg.
   Wanneer ik de inhoud van de vier delen naast elkaar leg, stel ik me de vraag waarom dat ene stuk bij Starters staat en het andere bij Work. Het had evengoed andersom kunnen zijn. Alles wat ik onder ogen krijg, of het nu tekst is of beeld, klinkt hetzelfde of ziet er hetzelfde uit. En dat is wel erg vreemd voor een magazine dat in het colofon zeventien auteurs en eenentwintig fotografen vermeldt. Hun individuele stemmen en creativiteit bezwijken onder een te strakke redactie. De gladde look & feel die lezers met het merk Kinfolk moeten associëren verdraagt geen ruwe kantjes.

*

Features
Kinfolk
Stine Goya over leiderschap
'The most essential auditory experience created by architecture is tranquility. Architecture presents the drama of construction silenced into matter, space and light.' – Juhani Pallasmaa
In Features, het tweede deel van het magazine, zijn de essays en interviews langer dan in de andere delen. Daardoor krijgen de fotografen en schrijvers de ruimte om zich werkelijk in hun onderwerp te verdiepen. Zij kunnen ook een gedachtegang ontplooien, nuances laten zien en details neerschrijven. Features is Kinfolk op z’n best dankzij een reeks foto’s van de felgekleurde muren, mozaïekvloeren en de beeldhouwwerken van de Ny Carlsberg Glyptotek, een essay over de zintuigelijke beleving van architectuur en een interview over leiderschap met modeontwerpster Stine Goya.

*

Kinfolk: yay of nay? Ik houd het voorlopig op een meh. Het magazine barst van de goede ideeën. De lay-out en fotografie zijn oogverblindend, maar op inhoudelijk vlak loopt het fout. En dat is een gemiste kans, omdat Kinfolk het woord geeft aan een boeiende en gevarieerde groep creatievelingen. Neem nu bijvoorbeeld de Zweedse filmmaakster Therese Traore Dahlberg. Zij ergerde zich blauw aan de eenzijdige manier waarop Afrika in beeld werd gebracht. Daarop besloot ze zelf films te maken waarin ze een Afrika toont dat meer is dan een hoopje miserie. En ook het interview met Philip Ball, een wetenschappelijk schrijver, is de moeite. Hij heeft het over de juiste balans in het leven tussen enerzijds herhalingen en patronen en anderzijds chaos en verwarring. Als het altijd stil is, dan wordt die stilte voorspelbaar, eentonig en uiteindelijk saai.
   Kinfolk is te stil, maar ook te zacht, te wit, te lief. Dat is leuk voor even, maar niet voor een heel magazine. De realiteit, de wereld buiten het blad, is niet stil en zacht en wit en lief. Wie alleen Kinfolk leest weet van geen oorlog of orkaan. Ik heb niets tegen een apolitieke insteek, maar Kinfolk is gewoon naïef.  Het magazine mist de diversiteit van Dahlberg en de balans van Ball. Pas wanneer het zich die twee dingen eigen maakt, kan het uitgroeien tot een gelaagde en verrassende publicatie. Voorlopig scheert Kinfolk te veel over de oppervlakte en heeft het niet meer diepgang dan een rich kid op Instagram.

KINFOLK ID
Titel – Kinfolk
Uitgeverij – Ouur Media
Genre – Lifestyle
Taal – Engels
Frequentie – 4 keer/jaar
Pagina’s – 192
Prijs – 18 euro

Lees ook mijn review van:

vrijdag 3 februari 2017

Harder

Illustratie: Eva Vaes
harder

god schrijft een zin op het bord en veegt hem weg
het woord verdwijnt onder het krijt
op het examen hoesten wij het juiste antwoord op

god legt onze lichamen in het gips
wij gaan op een standbeeld gelijken
als kunstwerk worden wij in het museum bijgezet

achter het glas zegt bezoeker a tegen b
die beelden lijken op een cijfer
een nul zegt a en b zegt een tien

maandag 9 januari 2017

Boek herlezen: Blauwvos van Sjón

Blauwvos
Wie wil er nu voor altijd een muziek-liefhebbende elf zijn? (…) Het was tijd voor de IJslander om zijn lieve gezicht én zijn lelijke gezicht te tonen. Sjón
*

De woorden, ze komen niet. Hoe kan ik nu mijn appreciatie voor Blauwvos vatten in taal? Het boek laat in mijn hoofd alleen een schilderij achter, een wit doek met een donkergekleurde, bewegende stip – een blauwvos in de sneeuw. 

Laten we dit afspreken: dit stuk bestaat niet. Ik loop ervan weg. Zoals ik drie weken geleden ook wegliep van Blauwvos. Geloof me: ik wilde het boek herlezen. En ook: ik wilde het niet herlezen. De eerste keer was onvergetelijk. Hol woord, mijn excuses. Blauwvos is een boek dat ik zelf had willen schrijven, alleen besefte ik dat pas nadat ik het had gelezen. Zo’n boek dus. Ken je dat? Zoiets herlezen, dat is om problemen vragen. Wat als … het tegenvalt? Wat antwoord ik dan als iemand me vraagt: ‘Wat is je lievelingsboek?’ Misschien komt er dan wel een einde aan het onvermijdelijke gevolg van mijn antwoord: dat mijn gesprekspartner Blauwvos wil lenen. En dan zit ik daar weken, in het slechtste geval maanden, met dat gat in mijn boekenkast. Tot ik het niet meer uithoud en mail: Wanneer spreken we nog eens af (en geef je dan mijn boek terug)?

*

De eerste keer.
Ik las het boek tijdens een periode waarin elk excuus een goed excuus was om het over IJsland te hebben. Ik was geobsedeerd (of gefascineerd, klinkt mooier) door alles wat IJslands is. Een land van lava met pikzwarte vulkanen en asgrijze stranden, zonder bomen of insecten en met korte zomers en lange winters. Dat het daar zo donker kan zijn en zo koud. Hoe houdt een mens dat vol? Antwoord: door eruit te zien en zich te gedragen als een nukkige beer = de gemiddelde IJslandse man. Of ze zo ter wereld komen of langzaamaan – donkere, lange winter na donkere, lange winter – in een neoviking veranderen, ik zou het niet weten. En hoe rijm ik die beren met hun geloof in elfjes, feeën en trollen? Voor die IJslandse exotiek loop ik wel warm (of koud, zo je wilt). Een verademing is het om vast te stellen dat het woord exotisch meer betekent dan wit zandstrand + helblauw water.

Als men – ik bedoel de media, de mensen (gebruik nooit men in een tekst, dat is vaag en onpersoonlijk; erg on-Sjón) – iets genoeg herhaalt, ga ik het op de duur geloven. Dat IJslanders beren zijn, bijvoorbeeld. Dat ze, zoals het beren betaamt, het gezelschap van bezoekers schuwen. Dat ze één zijn met de natuur. Geloof me: ze zijn nukkig, afstandelijk en één met de natuur. En ook: ze zijn open, geïnteresseerd en één met de stad (= Reykjavík, een andere hebben ze daar niet). Een plek zonder internet? Bestaat niet. En een vliegtuig is het IJslandse beren-equivalent van onze bussen. Ze springen er even op om hun grootmoeder aan de oostkust te bezoeken. Het toestel vliegt over het binnenland met zijn pas gepoetste spiegels (meren?), glinsterende lijnen (smeltwater?) en sneeuw (geen twijfel) en …
STOP
Waarom klinkt elke bespreking van een IJslandse roman als een reisgids?
Opnieuw.

*

Met Blauwvos brak Sjón internationaal door als romancier. Voordien verwierf hij wereldwijd bekendheid als songschrijver van Björk, met als belangrijkste wapenfeit I’ve seen it all voor de soundtrack van de film Dancer in the Dark. Het leverde hem in 2001 een Oscarnominatie op (Bob Dylan won, weeral). Blauwvos was evenmin zijn literair debuut. Op z’n zestiende publiceerde hij een eerste dichtbundel in zijn thuisland. Ook nu nog klinkt zijn proza bij vlagen erg poëtisch. Herhalingen, enjambementen en witruimte, Blauwvos zit er vol van. Het levert zijn werk steevast het etiket poëtisch proza op (= het hokje voor de schrijvers waarvoor geen hokje bestaat). Evenzeer leest Blauwvos als een thriller (hoofdstuk 1), een kortverhaal (2) een fabel (3) en een briefroman (4). En dan is dat boek ook nog eens verdomd stijlvast. En dat lukt Sjón dankzij zijn sobere, glasheldere taal en een spaarzaam gebruik van personages (2, een jager en een prooi), beelden (2, een jager en een prooi) en verhaallijnen (2, het verhaal over een jager en een prooi en een ander verhaal over een jager en een prooi). Twee verhaallijnen die hoe langer, hoe meer tegen elkaar aan gaan schuren, tot het pijn doet, tot er doden vallen en een mens als vos reïncarneert.

Ben ik te vaag? De vorige alinea is nochtans men-vrij = het ligt aan jou.
Opnieuw.

*

*spoiler* (later toegevoegd)
Blauwvos is een novelle over een dominee, een botanist, een meisje met het syndroom van Down, een vos en sneeuw – als vlok, als maaltijd, als lawine, als huis. Het meisje blijkt de verstoten dochter van de dominee. Hij verkocht haar op jonge leeftijd aan een buitenlandse schip in ruil voor hagel en een voorlader, dezelfde hagel en voorlader waarmee hij op vossenjacht gaat, de jacht die hem de kop zal kosten.
Wanneer de ouders van de botanist overlijden, onderbreekt hij zijn studies in Kopenhagen en keert hij terug naar IJsland. Enkele dagen na zijn terugkeer ontdekt hij in een schuur het meisje – de enige overlevende van een schipbreuk. Ze spreekt brabbeltaal, stinkt uren in de wind en blijkt zwanger. De botanist neemt haar mee naar zijn ouderlijke boerderij en zorgt voor haar tot ze een natuurlijke dood sterft.

Het spijt me. Ik heb de clou van het verhaal verklapt. Je was gewaarschuwd = het ligt aan jou.
Opnieuw.
Laatste keer.

*

Blauwvos is een boek als een schilderij, een wit doek met een donkergekleurde, bewegende stip – een vos in de sneeuw als inkt op een zwart blad, en de woorden vertellen een verhaal een verhaal over zacht (de botanist) en hard (de dominee), open (botanist) en dicht (dominee), nieuw (botanist) en oud (dominee); de woorden vertellen een verhaal over IJsland (de botanist én de dominee). 

Blauwvos

maandag 2 januari 2017

Eindejaarsvragen 2016


1. Wat is het beste boek van 2016?
Sinds april houd ik een leeslijst bij en sinds december heb ik een goodreadsaccount, dat maakt het beantwoorden van deze vraag een stuk makkelijker dan de voorbije twee jaren. Twee trends: veel vrouwen en vooral non-fictie.

De eenzame stad van Olivia Laing
Een boek dat het thema eenzaamheid recht in de ogen kijkt aan de hand van kunst.

Waarvan wij droomden van Julie Otsuka
Een boek in de we-vorm? Het kan!

I.M. van Connie Palmen
Hartstochtelijke liefde in woorden gegoten (zonder stroop). Kan een schrijver een lezer veel dichterbij laten komen dan Connie in I.M.?

A Sting in the Tale van Dave Goulson
Een boek over het belang, de kracht en de pracht van bijen in een swingend Brits taaltje.

Stet van Diana Athill
Een boek over Athills ervaringen als redactrice bij uitgeverij Andre Deutsch Ltd., geschreven in haar typische ietwat gelaten stijl die desalniettemin bulkt van de levenskracht.

A Wilderness Station van Alice Munro
Een bundeling van Munro's knapste kortverhalen uit de periode '68 tot '94. Als je favoriete oma een boek was, dan heette dat boek A Wilderness Station.

2. Wat is de mooiste boekentrend van 2016? 
De aandacht voor (boeken over) de kunst van het lezen.

3. Welk boek verdient in 2017 een tweede kans?
Omdat één boek kiezen niet te doen is, ga ik meteen voor een genre: literaire non-fictie. Een genre dat in België wacht op een goeie eerste kans, toch? In 2016 had ik het geluk rond te struinen in Hatchards en Waterstones, twee Londense boekhandels. Mijn mond viel open toen ik het non-fictie aanbod zag. De boekenkasten werden zelfs onderverdeeld in sub-genres. Mijn reisgezelschap hoefde niet in mijn arm te knijpen. Het was allemaal echt, tastbaar, te koop enzo. Dat moet bij ons toch ook kunnen? Hierbij een oproep aan alle bevlogen essayisten, vertalers en uitgevers om er werk van te maken.

4. Welk boek wil jij in 2017 zeker lezen? 
Altijd meer dan het afgelopen jaar. Op Goodreads nam ik me voor om 88 boeken in 2017 te lezen. Dat is 1,5 boeken per week. Moet lukken.

Gisteren botste ik op een oud bericht op mijn blog waarin ik jubelde over het werk van Edith Wharton, Eudora Welty en Dorothy Parker. Het is er sindsdien niet van gekomen om me in hun oeuvre te verdiepen. Dat moet in 2017 veranderen. En verder wordt het hoog tijd dat ik eindelijk begin in Alice in Wonderland van Lewis Carroll, The White Album van Joan Didion en On Photography van Susan Sontag.

Lees ook:
Eindejaarsvragen 2015
Eindejaarsvragen 2014

zondag 18 december 2016

Erika's oplossing

Ylja Band
© Ylja Band

Erika draait de kraan dicht. Uit de douchekop vallen nog enkele druppels. De stoomwolk in de cabine beneemt haar de adem. Ze moet enkel de glazen deur openduwen om zichzelf van dat verstikkende gevoel te verlossen, maar Erika wacht. Ze wacht tot de wolk een mistbank is geworden die niet hoger dan haar enkels reikt. Pas daarna stapt ze uit de cabine en dept haar lichaam droog. In het midden van haar handdoek zit een rood vlekje. Voor de spiegel tast ze haar lichaam af. Ze zoekt het bloed. Het druppelt uit haar wijsvinger, uit een sneetje in haar vingertop. Gedurende één, twee minuten drukt ze er een washandje tegen, dan haalt ze het weg. Vrijwel meteen blinkt een vers rood lijntje in het vlees.
  ‘Erika,’ roept Max. Een tweede keer. En nog eens. Ze reageert niet. Hij draait zijn hoofd om de badkamerdeur. ‘We zijn te laat,’ zegt hij. ‘We zijn weeral te laat.’

Twee weken eerder zat Erika op exact dezelfde plek, in de driezitbank in de woonkamer van haar schoonouders, toen vierden ze de verjaardag van de broer van Max. Vandaag is er geen speciale reden voor hun bezoek. Het is zondag. Meer redenen heeft haar schoonfamilie niet nodig om zich van drie tot zes rond een tafel met koffie en gebak te scharen.
  Wat heb ik met die hele zooi te maken, vraagt Erika zich af. Max begrijpt niet dat ze soms alleen thuis wil zijn, dat ze op haar eigen bank wil zitten met een glas wijn. Geluk is voor haar een huis zonder mensen. Een opmerking waarop hij steevast reageert met: ‘Zie je mij nog graag?’
  Er moet iets gebeuren, denkt ze, het maakt niet uit wat. Iets dat de sleur doorbreekt: de salontafel die vlam vat of een luster die naar beneden dondert. Gewoon iets. Uit pure verveling kieperde ze ooit een bodempje koffie in de bloempot van de ficus. Zomaar, zonder reden. Het zoontje van haar schoonbroer had haar in de smiezen en zette het op een huilen toen ze haar kopje omdraaide. Ze prees zichzelf gelukkig dat zijn articulatievermogen te weinig was ontwikkeld om woorden als koffie of bloempot uit te spreken.

‘Slaapwel,’ zegt Max. 
  ‘Zoiets,’ zegt Erika.
  Hij legt zijn hand op haar buik en likt haar plagend achter het oor.
  ‘Hé nou.’ Ze wil hem van zich afduwen, maar hij is te sterk en drukt zich tegen haar aan. Zijn harde geslacht klopt op haar onderrug. ‘Ik ben moe,’ zegt ze.
  ‘Raad eens wat ik voor je verjaardag heb gekocht,’ zegt hij.
  Ze kent dit gesprek. Zelfs al geeft ze het juiste antwoord, dan nog zal hij het ontkennen. Stiekem hoopt ze dat hij een cadeaubon van haar favoriete zaak in de stad heeft gekocht. Het zou haar goed uitkomen, de douchegel is bijna op, maar ze weet dat hij geen euro aan dat soort dingen besteedt. Ze ontspant haar lichaam en doet alsof ze langzaam in slaap valt. Max wordt zacht, laat haar los en draait zich om. Zijn ademhaling vertraagt en hij begint te snurken. Erika maalt over de nakende winter. Een seizoen waarin de familie van Max haar agenda inpalmt. Aardig zijn, het lukt haar de laatste tijd steeds minder goed. Ze dacht dat het zoiets was als fietsen: eens je het onder de knie hebt, vergeet je nooit meer hoe het moet. De rode digits van de klokradio gloeien in het donker. Over minder dan drie uren moet ze opstaan.

Erika loopt door een verlaten straat. De voetpaden, huizen en het asfalt lijken uit snoepgoed opgetrokken. Ze likt aan een felrode stoeprand, verwacht de smaak van aardbei of framboos, maar proeft in plaats daarvan zeep. Een teil met water valt uit de lucht. Ze draait haar tong los, spoelt de rode spiermassa uit en steekt ze terug in haar mond. Ze wrikt een tegel van het voetpad los, zet haar lippen aan een van de hoeken en blaast. De tegel zwelt op tot een rood-wit gestreepte ballon. 
  Een bieptoon wurmt zich in haar oor. Ze spert haar ogen open. Op haar netvlies brandt het laatste beeld van haar droom: tientallen ballonnen stijgen op naar een blauwe hemel. Max buigt over haar heen en trekt de klokradio uit het contact. Hij legt zich terug neer en snurkt verder. De kamer is ijskoud. Erika weet dat ze op moet staan, anders dommelt ze weer weg. Ze rolt uit het bed, slaat haar armen om zich heen en loopt naar de badkamer. Ze zet de verwarming op de maximumstand en laat het bad vollopen. Het badschuim kleurt het water paars en verspreidt een geur van lavendel. Ze gooit haar pyjama uit en stapt in de kuip. Die ochtend blijkt ze immuun voor het verkwikkend effect dat het etiket op de flacon haar belooft. Door de overvloed aan schuim lijkt het alsof haar lichaam vanaf haar middenrif is verdwenen. Tot twee keer toe trekt ze een been uit het water en kronkelt met haar tenen.
  Om acht uur hoort ze de wekker van Max aflopen. Nog geen minuut later poetst hij zijn tanden in de badkamer. Ik moet uit het bad komen, denkt Erika. Het water is afgekoeld en de huid van haar vingertoppen is gerimpeld. Ze wil samen met hem de deur uit gaan en de metro naar het werk nemen.

De voordeur valt in het slot. Is hij al weg, vraagt Erika zich af. Net hoorde ze hem nog cornflakes in een kom gieten. Ze stapt uit de kuip, slaat een badmantel om haar lichaam en gaat naar beneden. De keukenklok staat op half negen. Ze raakt nooit meer op tijd op het werk. Voor haar part ontploft de boel daar vandaag. Ze nestelt zich met een kop koffie en een tijdschrift in bed en belt naar de personeelsdienst om een dag vakantie te vragen. Een kwartier later wordt de goedkeuring via sms bevestigd. Ze kruipt onder de lakens en valt meteen in slaap.

De metro dendert het station binnen en komt tot stilstand. De deuren schuiven open en laten enkele passagiers los. De zuigkracht die de deuropening tijdens de spits op Erika uitoefent, laat zich op dit uur van dag niet gelden. Ze kan instappen of wachten op de volgende. Op het perron weerklinkt een gepiep dat het vertrek aankondigt. Ze springt aan boord, hoort achter zich de rubberen banden van de deuren tegen elkaar klappen en zet zich op een van de banken neer. De metro trekt zich opnieuw op gang. Het raam duwt het helverlichte perron uit beeld en verandert in een zwarte spiegel. Hij weerspiegelt Erika’s gezicht en bovenlichaam. Ze zou kunnen opstaan en in het gangpad dansen als een gek. Haar spiegelbeeld zou geduldig op haar wachten en pas durven te bewegen als ze terug in dezelfde positie aan het raam gaat zitten. Ze laat een vinger over haar kaaklijn lopen en knippert een paar keer met haar ogen. Ze schrikt wanneer haar evenbeeld in het niets oplost. De metro is een volgend helverlicht station binnengereden. Ze kijkt uit het raam en leest de grote blauwe letters op de lichtbak. De letters vormen de naam van haar bestemming. Ze grist haar handtas van de bank en haalt net voor ze uitstapt haar gsm tevoorschijn om te kijken hoe laat het is. Het toestel glipt uit haar hand en valt tussen het perron en het metrostel in. Haar gsm landt tussen de donkere keien van het spoor. Het schermpje licht nog enkele seconden op en valt dan uit.

‘Zwanger?’ vraagt Erika, ‘Maar hoe dan?’ Ze wil de vermoeidheid terug in haar ooghoeken duwen. Haar vingers worden nat.
 ‘U was niet van plan zwanger te worden?’ De dokter haalt een doos met zakdoekjes uit de schuif van zijn bureau.
  Zwanger? Zij? No way. Ze is gewoon moe, meer is er niet aan de hand.
  ‘Ik wil geen kind, ik wil een slaappil.’
  ‘Neem uw tijd om aan het idee te wennen. Praat erover met uw echtgenoot.’

De prikklok geeft zes minuten over negen aan. Erika haalt haar schouders op en houdt haar badge voor de klok. Ze gaat aan haar bureau zitten en zet de computer aan. Haar blik dwaalt af naar de orchidee naast het scherm, een cadeau dat ze vorig jaar voor haar verjaardag van de collega’s heeft gekregen. Het lukt haar niet de plant opnieuw te doen bloeien. Ze pakt een schaar en kortwiekt de takken en bladeren tot een stomp. Met een oorverdovend geluid valt de bloempot aan stukken op de grond. Erika wil de grootste scherven verzamelen, maar snijdt zich aan een van de scherpe randen. Het bloed welt op in haar handpalm.
  ‘Ik ga om een vuilblik en een pleister,’ zegt ze, terwijl ze zich tussen de lichamen wurmt die zich rond haar bureau hebben verzameld. Ze loopt voorbij het lokaal met materiaal van de onderhoudsploeg en de receptie waar de verbanddoos ligt. Onderweg veegt ze met haar arm alles wat op de balie ligt op de grond. Een briefopener valt met de punt naar beneden en boort zich in haar enkel. Met haar badge ontgrendelt ze de deur die toegang geeft tot de kantoren van de directie. Ze duwt de koffieautomaat omver en geeft een trap tegen de watertank. De ceo en de personeelsdirecteur lopen op haar toe. Ze rukt een brochurehouder van de muur. De standaard vliegt door de gang en treft de ceo. De personeelsdirecteur duikt naar haar voeten en trekt de briefopener uit haar enkel. Het bloed spuit naar buiten.  
  ‘Kijk nu wat u hebt gedaan!’ zegt ze. Ze plant de naald van haar hak in zijn gezicht. De man schreeuwt het uit en grijpt naar zijn neus.
  Iemand legt een hand op haar schouder en schudt haar door elkaar. Ze draait zich om en ziet dat de gang achter zich in een zwart gat is veranderd. In het midden ontwaart ze een mond. Hij spreekt haar naam uit. Een tweede keer. En nog eens. Het zwart zuigt alles naar zich toe: de koffieautomaat, de watertank, een bureau, een stoel. Het gat krijgt ogen, oren, een neus en haren. De brochurehouder en de ceo verdwijnen in het voorhoofd. De personeelsdirecteur wappert als een vlag aan de briefopener die hij in de muur heeft geplant. Tevergeefs grijpt Erika naar zijn voeten. Ze wordt uit haar stiletto’s gezogen, van de grond opgetild en door het gat opgeslokt.
  ‘Erika?’ vraagt Max.
  Ze opent loom haar ogen.
  ‘Hoe gaat het? Voel je je beter? Wat heeft hij gezegd?’
  Ze richt zich op in bed.
  ‘Erika, wat heeft de dokter gezegd?’
  ‘Hoe laat is het?’
  ‘Dat doet er toch niet toe. Zeg me hoe het met je gaat.’
  Ze kijkt hem verdwaasd aan.
  ‘Erika, kom op nou. Wat scheelt er? Ben je ziek? Zeg me dat je naar de dokter bent geweest.’
  ‘Hij denkt dat ik zwanger ben.’ Ze sluit haar ogen. Hij neemt haar in zijn armen en zoent haar op de plekken waar zijn lippen het eerst landen.
  ‘Ik ben niet zwanger,’ zegt ze, luider dan ze wilde. Zijn grip verslapt. Ze opent haar ogen en kaatst zijn verwarde blik terug. ‘Ik ben niet misselijk van een kind. Ik ben gewoon moe. Als ik ’s morgens wakker word, wil ik terug gaan slapen. Begrijp je dat? Ik ben altijd moe. Altijd.’
  Hij wil haar opnieuw vastpakken, maar ze duwt hem weg. Zijn armen glijden van haar af. Zijn lichaam rolt naar de andere kant van het bed. Hij kijkt een tijdje naar het plafond, wil dan een hand op haar buik, haar heup, haar dijbeen leggen, maar bedenkt zich na een poging die halfweg zijn en haar kant van het bed eindigt. 

De rug van een wijsvinger klopt op de deur – eerst hard, dan zacht. Knokkels kloppen – zachter, bijna onhoorbaar. Max vraagt hoe ze zich voelt, of het al beter gaat, of ze honger heeft, of ze wil opendoen. Hij vertrekt zo meteen naar zijn ouders en vraagt of ze mee wil gaan.
  Ze staart naar de zwarte display van haar klokradio. Het contactsnoer ligt om het toestel gekruld. Ze zit op de rand van het bed en wacht. Buiten rijdt Max met de auto de oprit af. Hij draait met een schurend geluid de banden naar rechts en geeft gas. Ze veert recht, haalt de stoel onder de klink uit, gooit de deur open en holt naar de wc.

De telefoon rinkelt. Een tweede keer. En nog eens. Neem dan toch op, denkt Erika, maar het gerinkel houdt aan. Ze tast naar haar gsm op het nachtkastje, maar in plaats van iets hards en hoekigs voelt ze iets vloeibaars. Haar hand hangt in een kom soep. Ze moet in slaap zijn gevallen toen ze zich terug in het bed installeerde om te eten. De telefoon blijft rinkelen. Het geluid komt van beneden. Ze staat op en gaat de trap af. In de woonkamer licht het schermpje van de vaste telefoon op. Nog verdwaasd door de slaap, drukt ze onmiddellijk op het groene telefoontje. ‘Ik word oma!’ zegt haar schoonmoeder.
   Erika voelt alleen haar gezicht. Wanneer ze over haar kaak wrijft, schiet er een pijnscheut door haar lichaam. Haar vingertoppen zitten onder een bruine smurrie. Ze herinnert zich het gezichtsmasker van chocolade en chili dat ze in de koelkast had gevonden. Volgens de keukenklok heeft het meer dan een uur op haar gezicht gelegen. Ze laat de telefoon vallen en loopt naar de badkamer. Het washandje is als een vlam. Haar huid smelt bij elke aanraking. Wanneer het haar eindelijk is gelukt het masker af te wassen, ziet ze in de spiegel een rood aangelopen gezicht, opgezwollen ogen en haren die tegen haar voorhoofd en wangen plakken. Ze plant een vuist in het midden van haar evenbeeld. Het glas breekt en valt in scherven in de lavabo. De rug van haar hand bloedt. Ze trekt de kastdeuren open, gooit alle verzorgingsproducten in het bad en draait de kraan open. Het water schuimt als gek. Ze grist een bol staalwol uit de kast met poetsmateriaal en stapt in het bad. Telkens wanneer een zeepbel tegen haar gezicht uit elkaar spat, springen de tranen in haar ogen. Ze wrijft met een stuk zeep over de staalwol en trekt haar been uit het water. Ze schuurt ermee over haar voet en bekijkt het resultaat. Prima, denkt ze, al twee van mijn vijf tenen zijn verdwenen.

  Max neemt met gierende banden de laatste bocht en laat de auto in het midden van de straat achter. De geur in de inkomhal doet hem kokhalzen. Hij houdt een zakdoek voor zijn neus en mond en roept: ‘Erika!’ Hij neemt de trap naar boven en loopt naar de badkamer. De spiegel is gebroken, de kastdeuren hangen uit hun hengsels, het water stroomt over de badrand en het schuim reikt tot aan het plafond. Hij steekt zijn armen in het water en vist half verteerde bruisballen en stukken zeep uit de kuip. Hij duwt zijn hoofd in het bad en ziet een hand – haar hand, hun trouwring. Hij wil haar uit het water trekken, maar voelt tegen zijn verwachting in geen weerstand. Hij valt achterover en landt hard op zijn rug op de grond. Haar hand, maar ook niet meer dan dat, ligt op zijn buik. Een vuist, bloedeloos en netjes gewassen. Tussen de vingers een web van staalwol.