Posts tonen met het label De Standaard der Letteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Standaard der Letteren. Alle posts tonen

zaterdag 10 maart 2018

Af en toe een fragment - Joke J. Hermsen

De westerse filosofie is dol op de dood; Hannah Arendt spreekt zelfs van een obsessie met mortaliteit, terwijl de nataliteit totaal genegeerd wordt, hoewel de geboorte net zo wonderbaarlijk is. Want de mens wordt niet alleen als levend wezen geboren, maar ook als mogelijkheid tot verandering: hij is in staat iets nieuws te scheppen, en wordt daarmee, in het denken van Arendt, telkens opnieuw geboren. Onze fascinatie voor dood is begrijpelijk, maar ze zou gecompenseerd moeten worden met een gedachte van nataliteit.

Fragment uit een stuk over de dood in De Standaard der Letteren van Joke J. Hermsen.

woensdag 11 oktober 2017

Af en toe een fragment - David Sedaris

Dit is mijn filosofie: er overkomt ons een hoop ellende in het leven, maar er komt een moment waarop die ellende grappig wordt. Dat is altijd het moment waarop ik begin te schrijven.

Fragment uit een interview met David Sedaris in De Standaard der Letteren.

zondag 24 april 2016

5 dingen die ik lees (als ik geen boeken lees) - magazines

The Happy Reader
1. The Happy Reader
Wat: een magazine voor, door en over lezers. Een lofzang op de kunst en het plezier van het lezen. Elk nummer bestaat uit twee delen: een interview met een celebrity over zijn of haar leesgewoontes en een uitgebreid dossier over het boek van het seizoen.

Waarom: omdat ik wil weten welk boek op het nachtkastje van Dan Stevens ligt, omdat ik me afvraag in welke houding Grimes een comic leest bijvoorbeeld.

Wat is er mooier dan een goed gesprek over literatuur? De uitgeschreven interviews lezen als een sprankelende dialoog uit een schitterende roman.

Voor het boek van het seizoen maakt de redactie een keuze uit vergeten klassiekers, zoals The Book of Tea van Kakuzo Okakura, Au Bonheur des Dames van Émile Zola en Granite Island van Dorothy Carrington. Je krijgt geen romanfragmenten voorgeschoteld, maar wel essays van verschillende auteurs die inzoomen op objecten, personages of thema's die in het boek voorkomen. Een simpele, maar geniale benadering die me telkens weer ontzettend veel goesting doet krijgen om het boek van het seizoen te gaan lezen.

The Happy Reader is een magazine dat je van kaft tot kaft leest, in één ruk, in het gezelschap van een flat white met sojamelk in een trendy koffiebar in de stad.

Frequentie: 4 nummers per jaar.

Prijs: 8 ponden (ongeveer 10 euro) voor één jaargang.

Website

rekto:verso2. rekto:verso
Wat: een tijdschrift tjokvol essays over actuele kunst en cultuur. rekto:verso graaft dieper dan de krant en de radio, maar is toegankelijker dan een vaktijdschrift. Elk nummer wordt aan een thema ophangen. Daarnaast zijn er enkele terugkerende rubrieken (onder andere een column door Bernard Dewulf). rekto:verso komt graag polemisch uit de hoek en kruidt op die manier het debat over kunst en cultuur.

Waarom: omdat goed geschreven essays helemaal mijn ding zijn, omdat ik het themanummer over pornografie werkelijk de moeite vond bijvoorbeeld. Geen ooh's, aah's of trillende vlees, maar originele stukken over de meest gebruikte zoekterm op Google. De nummers over populaire cultuur en het wit- en zwartboek over cultuur waren trouwens ook niet mis.

Is rekto:verso een perfect blad? Nou nee, niet elke bijdrage is even urgent en sommige stukken kunnen korter, krachtiger en (nog) helderder. De redactie slaagt er wel steeds in om complexe thema's voor een breed publiek aanschouwelijk te maken, onder andere door het woord te geven aan auteurs met uiteenlopende achtergronden. Als ik het tijdschrift met een stuk speelgoed zou moeten vergelijken, dan met een caleidoscoop (en caleidoscopen zijn vet!).

Wie leest rekto:verso? Onder andere mensen die het blad op het voetpad laten liggen, waar het vervolgens door mij wordt gevonden en mee naar huis genomen. Het is eens wat anders dan een nummer plukken uit het rek van een of ander respectabel huis van cultuur.

Frequentie: 6 nummers per jaar.

Prijs: Gratis.

Website

Kluger Hans3. Kluger Hans
Wat: een literair tijdschrift dat een plek biedt aan beginnende en debuterende schrijvers. Elk nummer staat in het teken van een thema. Daarnaast is er ruimte voor vrije inzendingen. Naast geschreven teksten biedt Kluger Hans ook ruimte aan beeldend kunstenaars. Het resultaat is een interessante clash tussen woord en beeld, wat extra in de verf wordt gezet door een inventieve lay-out. Geen twee nummers lijken op elkaar.

Waarom: omdat ik graag nieuwe, onbekende schrijvers ontdek met klinkende namen zoals Takeo Oshima of Gökhan Girginol, omdat ik al jaren op zoek ben naar een geslaagd gedicht over de binnenkant van een glasbak bijvoorbeeld.

Dankzij Kluger Hans leerde ik onder andere de kortverhalen van Tineke Van Onckelen kennen, de poëzie van Maaike Haneveld en Sylvia Hubers en dat glasbakgedicht van Chris Zuurbier (had ik dat al eens gezegd?).

Kluger Hans scheidt het kaf van het wij-willen-zo-graag-debuteren-koren en verpakt het in een prachtig jasje. Vorm en inhoud zijn complementair. Ik herinner me een nummer dat openviel als een accordeon. Het had niet veel gescheeld of er was muziek uit gekomen. Een idee voor een volgend nummer?

Kluger Hans lees je in een café waar een loopje met de hygiëne wordt genomen. Denk: de fakbar van studenten humane wetenschappen met de juiste foute tweedehands kleren om het schrale lijf en een kringwinkel-Kafka in de hipsterbag.

Frequentie: 4 nummers per jaar.

Prijs: 25 euro voor één jaargang.

Website

4. Zuiderlucht
Wat: Zuiderlucht brengt onafhankelijke journalistiek over cultuur en samenleving. Het blad spitst zich toe op de Zuid-Nederlandse en Vlaamse cultuuragenda met af en toe een uitstapje naar bijzondere events in de rest van de wereld. Zuiderlucht werpt een open en kritische blik op cultuur en culturele samenwerkingsverbanden in de euregio Maas-Rijn. Zuiderlucht publiceert recensies van tentoonstellingen en appeltaart (en dat is geen grap), interviews, essays en columns.

Waarom: omdat ik zelf in de euregio woon en graag weet wat hier op cultureel vlak gebeurt, omdat de Zuiderlucht-recensenten erin slagen om, vertrekkend vanuit hun persoonlijke beleving, op een toegankelijke manier over kunst te schrijven bijvoorbeeld.

Zuiderlucht kun je als een lichtvoetiger broertje van rekto:verso beschouwen. De bijdragen zijn korter, de taal is eenvoudiger. Mijn favoriete rubriek is Wat was in .... Daarin maakt de redactie een eigenwijze selectie uit het nieuws van de voorbije maand.

Zuiderlucht lees je in het Theatercafé van het cultureel centrum in Hasselt waar je voor 15 euro veel eten krijgt. En dan hebben we het nog niet over hun terras gehad.

Frequentie: 11 nummers per jaar.

Prijs: gratis.

Website

De Standaard der Letteren5. De Standaard der Letteren
Wat: de literaire bijlage van de krant De Standaard. Een mix van recensies, columns en interviews.

Waarom: omdat elk zichzelf respecterend land minstens één krant nodig heeft met een literaire bijlage voor de high brow peeps, omdat Mark Cloostermans en Maria Vlaar twee toprecensenten zijn bijvoorbeeld.

De Standaard der Letteren ziet er al jaren ongeveer hetzelfde uit. Toch introduceert de redactie regelmatig nieuwe rubrieken om de aandacht van trouwe lezers vast te houden, zoals die waarin elke week een auteur een brief schrijft aan een andere auteur, een personage uit een roman, het hondje van zijn schoonmoeder, etc.

De Standaard der Letteren leunt qua stijl en inhoud aan bij de literaire bijlage van De Morgen (of andersom, het is maar hoe je het bekijkt). Daarom dit idee: redacties, verenig u! Maak samen een wekelijks of maandelijks tijdschrift van 50+ pagina's over literatuur!

De Standaard der Letteren gris je uit de krant en neem je mee op de trein naar het werk. Vervolgens laat je de bijlage achter voor een volgende reiziger. Lezers geloven in de besmettelijkheid van literatuur.

Frequentie: wekelijks

Prijs: De Standaard der Letteren is niet apart te koop. Je moet De Standaard op vrijdag kopen om de bijlage te kunnen krijgen.

Website

En en en ...
Geen compleet lijstje, dit. Ik blader ook graag in kranten, roddelbladen en reclamefolders. En dan zijn er nog een heleboel magazines die al een tijdje op mijn moet-ik-dringend-eens-lezen-lijst staan, maar waar ik uit tijdsgebrek niet aan toe kom zoals Kinfolk, Fantastic Man, Dazed & Confused, i-D en The Paris Review.

Ik zit zelf in de redactie van Gierik & NVT, een literair tijdschrift dat zowel jong talent als gevestigde namen publiceert. Ik had het blad graag in mijn lijstje opgenomen, maar deed dat uiteindelijk niet omdat eigen lof altijd een beetje stinkt, toch?

Wat lees jij (als je geen boeken leest)?

vrijdag 24 april 2015

Af en toe een zin

'Het gekke is dat ik fictieve herinneringen heb aan dit station', zegt hij. 'Het ging dicht jaren voor ik geboren werd, dus wellicht heb ik de verhalen van oudere mensen op een of andere manier verinnerlijkt en vervormd tot persoonlijke herinneringen. Het geheugen is onbetrouwbaar, maar op de een of andere manier zijn herinneren toch altijd waar.'

Fragment uit een interview in De Standaard der Letteren met Patrick McGuinness.

woensdag 14 januari 2015

Af en toe een zin

Misschien moeten we nog een woord toevoegen aan het rijtje dat een plek in Van Dale verdient: 'Museumbenen' < zn; geen enkelvoud >; voorbeeldzin: 'Na drie uur schuifelen langs oude meesters voelen mijn museumbenen aan als loden pijpen.'

Zin uit Museumetiquette, een column van Veerle Vanden Bosch in De Standaard der Letteren.

zondag 28 december 2014

Flansen (over bloggen)

Over 2014, voornemens en 2015

Volgens de teller van dit blog, sluit ik het jaar af met iets meer dan honderdvijftig berichten. Vreemd! Ik kan me van sommige teksten amper herinneren wanneer ik ze schreef. Ik voel dat ik met dit blog stilaan een andere richting uit wil gaan. Naar aanleiding van de twee polemieken waarop ik recent reacties publiceerde, is mijn goesting voor het experiment aangewakkerd. Ik schreef onder andere:

Een stuk op mijn blog gooien dat onvolkomenheden vertoont vind ik moeilijk, al besef ik dat ik daarmee zondig tegen een van mijn uitgangspunten. Deze plek moest ook dienen om werk in wording te publiceren. Dat is tot nu toe zelden (misschien zelfs nooit) gebeurd. Ik houd van keurig afgeronde stukken. Onafgewerkte teksten voelen als een valse noot op een loepzuivere homepagina.

Ik heb tijd nodig om me over een onderwerp een mening te vormen. Daarom mijd ik actuele discussies over literatuur uit vrees stommiteiten uit te kramen. In 2015 wil ik die gêne overboord gooien. Joost de Vries werd enkele weken terug geciteerd in De Standaard der Letteren. Zijn exacte woorden ontsnappen me, maar het kwam erop neer dat hij zei: wie zich niet in het actuele debat kan vinden, kan er maar beter zelf aan meedoen. So what als ik er soms eens verschrikkelijk naast zit?

Over bloggen en blogtips

De voorbije weken struinde ik door de winkelstraten op zoek naar cadeaus. Meer dan eens greep ik naar een van de boeken over bloggen die dit jaar op de markt werden gegooid. Ik las hier en daar een hoofdstuk in de hoop enkele tips mee te pikken. Ik leerde al snel dat ik:
  1. zondig tegen zowat elk beginsel. Korte, snelle berichten met filmpjes en foto's? Lijstjes met filmpjes of foto's? Helaas, u vindt ze hier (meestal) niet. 
  2. elk lezersvriendelijk blogonderwerp uitwerk tot een lange, social media-onvriendelijke tekst.
  3. bijna een nul ben in het voeren van promotie.
  4. de meeste tips nuttig vind voor lifestylebloggers, maar niet voor mijn blog. Dat bedoel ik niet denigrerend. Ik heb respect voor bloggers die de dunne lijn tussen kunst en commercieel instinct vinden.
Een van de beste tips las ik in Het blogboek van Kelly Deriemaeker: werk op voorhand berichten uit. Helemaal waar. Alleen lukt ook dat me voor geen meter. Daarom doop ik mezelf om tot een blog-flanser. Ik neem me vaak voor tijdig aan een nieuw bericht te beginnen, maar vaak flans ik op zondag iets in elkaar dat zoveel beter had kunnen zijn als ik er eerder aan was begonnen. Schrijven + laten liggen + herschrijven = goed blogbericht. Op school was ik ook een chronische uitsteller. Bah, het verhaal van mijn leven eigenlijk feitelijk ...

The best of 2014

Maar, heel af en toe ben ik met een gouden blogtip succesvol (?) aan de slag gegaan. Zoals met mijn berichten waarin ik mensen over oudere berichten vertel (lees: de berichten die je schrijft als je echt geen inspiratie of tijd hebt). Op die manier ontdekken recente lezers van je blog je blogarchief. Zullen we dat dan even doen? 

Haat je de feestdagen? Lig je met een halve of ganse indigestie op de bank te kreunen? Of ben je een van mijn fameuze nieuwe lezers? Dit zijn de meest gelezen blogberichten van 2014 van wardmertensschrijft.blogspot.be! 

Een polemiek (deel 1?)
Een bericht over wat literatuur vermag, moet en kan zijn.
Een polemiek (deel 2)
Nog meer van hetzelfde, maar dan anders.
What shocks you more
Een cut-up.
Lijden
En nog één.
Een zomerse blokkade (deel 1)
Over writer's block.
Een zomerse blokkade (deel 2)
Ik doe alles graag twee keer. De herhaling is nooit hetzelfde.
Lang leve Delphine
Mijn ontmoeting met Delphine Lecompte.
De dichter-groupie in mij (Ward ontmoet Maud)
Maud Vanhauwaert dus.
Poëzie van een zomer (de vrouwen)
Als je ook wilt weten wat ik van Els Moors, Hannah van Wieringen en Tjitske Jansen vind.

vrijdag 5 december 2014

Af en toe een zin

Vroeger had ik meer uitgesproken meningen en ideeën over politiek, nu ben ik sprakeloos.

Zin uit een interview met Ian McEwan in De Standaard der Letteren.

zondag 2 maart 2014

Het bed van Ikea

Vorig jaar liet ik me door de rubriek Beroepsgeheim in de De Standaard der Letteren inspireren voor een bericht over de katten van Jennifer Egan. Tegelijkertijd smokkelde ik mijn eigen beroepsgeheim in het bericht. Onlangs kreeg Juli Zeh een pagina in de krant om haar ultieme schrijftip te delen. Ze sprak over haar bed van Ikea.

Vroeger had Zeh last van insomnia. Tijdens de slapeloze uren dacht ze na over zinnen of verhaallijnen waarmee ze vastzat. Dat hielp haar om verder te kunnen schrijven en om in slaap te vallen. Een schrijversleven zonder bed is voor haar ondenkbaar, al is het maar om aan de immer appellerende omgeving (kinderen, telefoon, internet) te ontsnappen. Ze zegt:

De beslissende fase ligt tussen nog wakker zijn en al vast slapen omdat het menselijke brein dan bijzonder creatief is. Ik geloof dat het schrijven van literatuur veel met dromen te maken heeft.  (...) Je moet het verstand tot op zekere hoogte kunnen uitschakelen en dat lukt dus uitstekend tijdens die onbestemde momenten in bed.

Zeh is niet de eerste die zich door dromen laat inspireren. Sommige romans ervaar ik als één lange droom. Ik denk hierbij aan De troostelozen van Kazuo Ishiguro. Hierin verzeilt een pianist in een bevreemdende, naamloze Europese stad. Iedereen lijkt te weten waar hij naartoe moet en wat van hem wordt verwacht, behalve de man zelf. Lijdt hij aan geheugenverlies? Zit hij gevangen in een nachtmerrie? Die vraag krijgt na meer dan vijfhonderd bladzijde geen definitief antwoord.

Het absurde theater zorgde voor een rits stukken die meer linken met de droom dan met het leven overdag vertonen. Samuel Beckett schreef met Wachten op Godot een tweeakter waarin amper iets gebeurt. Daarenboven worden in het tweede deel van het stuk verschillende elementen uit het eerste deel herhaalt. In Rhinoceros van Eugène Ionesco veranderen de inwoners van een Frans dorp in neushoorns. Enkel het hoofdpersonage, de slome dronkelap Bérenger, blijft zichzelf.

De troostelozen, Wachten op Godot en Rhinoceros kennen geen duidelijk begin, midden en einde. De scènes worden aan elkaar gelijmd met absurde wendingen en bizarre personages. Je vindt geen rode draad, want die is er niet. Je kunt je niet identificeren met de personages, want ze doen voortdurend dingen die je niet verwacht.

Ik smul van dromen. Iedereen die me over de zijne vertelt, heeft mijn volledige aandacht. Hoe absurder, hoe beter. Zo kreeg ik ooit de slappe lach bij het lezen van een mail van een vriendin. Ze had gedroomd over een trap met op de hoogste trede een zingende fruitpers. In mijn verbeelding vloog de muzikale pulp tegen het behang.

Vier jaar geleden stond mijn bioritme op z'n kop. Plots woonde ik veel verder van mijn werk en moest ik veel vroeger opstaan. Verschillende ochtenden op rij trok de wekkerradio me uit een droom. 's Avonds schreef ik op wat ik me nog herinnerde. Die verhalen (over mijn moeder die me een tuil rode rozen geeft of een parkeergarage in de vorm van een slakkenhuis) staan deels op mijn computer en deels in een schrift met oranje en roze strepen. In al die nota's zit een plotloze roman. Nu nog de tijd vinden om hem te schrijven.

Niet iedereen vindt zulke verhalen interessant. Zo las ik ooit dat redacteurs dromen uit manuscripten liever schrappen. Zulke scènes zouden geen meerwaarde betekenen en brengen lezers onnodig in de war. Sommige schrijvers misbruiken een droom om via (cliché)beelden een innerlijk conflict van een personage te verduidelijken. Een verschrikkelijke truc. Op dat vlak geef ik redacteurs gelijk: in de prullenmand met die troep.

Toch hoef je dromen niet per definitie uit een verhaal te weren. Je laat dan de kans liggen om een creatief verwerkingsproces in spetterend taalvuurwerk om te zetten. De plotloze structuur blaast de grenzen van een plotgedreven verhaal op, maar het ijs is glad en je schuift uit voor je het weet. Je schrijft en herschrijft een droom net zo vaak als een doodgewone dialoog tussen twee doodgewone mensen. Sommige dromen werken in een boek, andere zet je best op mail naar je vrienden.

zondag 1 december 2013

Paparazzi-feminisme (deel 2)

Deel 1 lees je hier.

Mannen en vrouwen zijn verschillend. We hebben een ander lichaam, een verschil dat we nooit zullen overbruggen. We kunnen ons enkel voorstellen hoe het is om de ander te zijn. Je komt aardig in de buurt met empathie en verbeeldingskracht. Verschillen in de manier waarop mannen en vrouwen omgaan met onderwerpen zoals liefde of dood zijn vaak niet te wijten aan het geslacht van een persoon, maar eerder aan diens achtergrond.

Onlangs merkte iemand in mijn omgeving op dat Arthur Japin heel goed weet wat er in het hoofd van een vrouw omgaat. De aanleiding was een fragment uit zijn kortverhalenbundel De klank van sneeuw. Japin beschrijft de gedachtegang van een oudere operazangeres. In de badkamerspiegels van een hotelkamer onderwerpt ze haar lichaam aan een vernietigend oordeel. Mannen schrijven geloofwaardig over vrouwen, en andersom. Daarenboven had de operazangeres evengoed een man kunnen zijn. We hebben allemaal, vroeger of later, te maken met onzekerheden over ons lichaam.

Als het over feminisme gaat, voeren de Vlaamse media graag schrijfster Saskia de Coster ten tonele. Deze zomer verscheen in De Morgen een dubbelinterview met haar en Griet op de Beeck, een andere schrijfster die in 2013 met de roman Vele hemels boven de zevende debuteerde. Op de Beeck uitte haar ongenoegen over een recensie van haar boek in De Standaard der Letteren:

In De Standaard is mijn boek afgekraakt als 'Flair-psychologie'. Dat is van een kleingeestig machismo dat je niet meer voor mogelijk houdt in deze tijd. Er bestaat niet eens een mannelijke pendant voor 'Flair-psychologie'. 

Op de Beeck rukt een citaat uit de context van een genuanceerde recensie. Haar reactie is makkelijk, spijtig en naast de kwestie. Recensent Mark Cloostermans verdient het niet om in het hokje machismo te worden ondergebracht. Hij gebruikte inderdaad het woord Flair. Ik interpreteerde zijn verwijzing naar het blad als een synoniem voor een gebrek aan diepgang in Vele hemels boven de zevende en niet als een vrouwonvriendelijke opmerking.

Wat heeft Op de Beeck te winnen bij deze uitval? Haar boek is een succes en kreeg over het algemeen goede tot zeer goede commentaren (vijf sterren in De Volkskrant, vier op cultuurbewust.nl en drie in nrc). Wie een boek op de markt gooit, weet dat er negatieve reacties kunnen volgen. De kans dat Vele hemels boven de zevende aan de logica zou ontsnappen was klein. De roman werd met de nodige fanfare op de markt gegooid met een voorpublicatie bij De Morgen.

Kritiek op je werk incasseren is niet eenvoudig. Ik kan zelf ook enkele dagen wankelen als ik (zowel goede als slechte) commentaar op mijn teksten of gedichten heb gekregen. Uiteindelijk probeer ik met elke reactie, hoe ongenuanceerd die ook mag zijn, iets te doen.

Geef me liever de poëzie van Annemarie Estor. Ik ben geneigd haar een feministe te noemen, al heeft de dichteres die term in een interview nog nooit op zichzelf geplakt. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, is een lyrische werk geworden waarin een vrouwelijk hoofdpersonage verliefd wordt op ene Izem. De vrouw is bereid om tot het uiterste te gaan om de sater tot de hare te maken.

                                     In zijn haar was ik zwak.
Ik kon er in dolen. Verlangde in die wirwar
sporen kwijt te zijn. Met zijn kronkels leek hij
een gekwelde heester en ik graaide 
met mijn vingers in dit broeiende gewas.
Mijn zwarte randjes grauwden, wroetten
in de humus

Wie niet goed leest, zou De oksels van de bok als onfeministisch kunnen beschouwen. Een vrouw die valt voor de foute man, het zou zo in de Flair kunnen staan of in Vijftig tinten grijs ...

                                      Soms sprak 
hij of hij messen klemde met zijn tanden. Dan legde hij
zijn spieren op mijn appel, liet hij voelen dat mijn nek 
ook knakken kon

… niet dus. De vrouw kiest voor de overgave. Ze wil opgaan in iets groter, iets goddelijk. Ze kruipt door de modder omdat ze dat zelf wil en incasseert de blutsen en de builen. Ze denk, voelt en handelt zonder gêne.

                                    Zijn haar had het gedaan.
                                    Mij dwongen de oksels

De recensie van Vele hemels boven de zevende van Mark Cloostermans lees je hier.
Annemarie Estor leest fragmenten voor uit De oksels van de bok in dit interview.

zondag 13 oktober 2013

Boeken zijn (niet) belangrijk! (deel 1)

Aan pleidooien over het belang van boeken geen gebrek. Ga naar een festival of de presentatie van een nieuwe roman en je wordt met zachte of harde hand met je neus op een vanzelfsprekendheid gedrukt: ja, boeken zijn belangrijk!

Het was niet anders bij de opening van het nieuwe literaire seizoen van het internationale literatuurhuis Passa Porta. De Russische schrijver Michaïl Sjisjkin zorgde voor de uitroeptekens. De Standaard der Letteren publiceerde zijn openingslezing. Hij zei:
Onbekende auteurs schreven onder vier evangelische pseudoniemen een boek dat de wereld heeft gemaakt tot wat ze is. Hun woorden hebben de realiteit voortgebracht waarin wij al tweeduizend jaar leven - de woorden moeten gewoon geloofwaardig zijn. 
Of hoe je ergens binnenkomt en elke tegenstander van het woord de mond snoert met een verwijzing naar de bijbel. Tijdens het lezen van deze passage vraag ik me af of er ooit nog een boek zal worden geschreven dat onze cultuur zo lang en diepgaand zal beïnvloeden. De onheilsberichten uit de boekensector lijken zoiets uit te sluiten. De verkoop zit in het slop en mensen lezen alsmaar minder. Als er morgen een boek van bijbelse proporties op de markt wordt gegooid, is de kans groot dat je de cover een half jaar later in de rekken van Polare terugziet.

In 2012 hielden E.L. James en Jeroen Meus in België de boekenverkoop overeind. De sector noteerde slechts een lichte daling in vergelijking met 2011. Een lokale boekhandelaar liet me ooit verstaan dat er in zijn zaak enkel een rek met literaire fictie stond voor de show. Daar wordt een fervente lezer niet meteen vrolijk van.

Naast de dalende verkoop lijdt het genre ook onder bestselleritis. Jaar na jaar is de top tien van best verkochte boeken verantwoordelijk voor een groter aandeel in de omzet. De sector is bang dat uitgevers in de toekomst niet langer zullen investeren in een breed aanbod, maar in hypes. Het e-book heeft vooralsnog niet voor een ommekeer gezorgd.

Verderop in zijn lezing, trekt Sjisjkin zijn bijbelse verwijzing door:
De schrijver is een schakel tussen twee werelden: tussen de irreële wereld van het leven, waar alles vloeiend, voorbijgaand en sterfelijk is en spoorloos verdwijnt als een zojuist weggetikte seconde of als duizenden weggetikte generaties - en de wereld van geloofwaardige woorden, die het elixir van de onsterfelijkheid sprenkelen op die geroosterde vis, dat brood en die vingers. 
Sjisjkins pleidooi voor schrijven, kan ik alleen maar steunen. Toch klinkt zijn lezing ook geladen en ernstig. Waait dezelfde wind door zijn boeken? Ik heb er geen idee van. Vroeger zouden zijn woorden me de indruk hebben gegeven dat schrijvers het enkel over 'grote' onderwerpen mochten hebben, zoals oorlog, honger en armoede. Uit mijn pen rolden andere verhalen. Waren die dan niet de moeite waard?

Ze bestaan, de auteurs die grote onderwerpen met succes tackelen. Neem The Waste Land van T.S. Eliot. Zijn werk wordt beschouwd als een poëtische neerslag van de ontgoocheling van een naoorlogse generatie. Eliot mijdt goedkope gruwel en sentimentaliteit. Hij vat een tijdsgeest op papier. Het maakt niet uit of hij dat bewust deed of niet. Het resultaat telt. The Waste Land beïnvloedde het werk van Ernest Hemingway, Aldous Huxley, William Faulkner, Graham Greene en Stephen King, en wordt nog steeds gelezen en geanalyseerd.

Lees ook deel 2.

zaterdag 20 april 2013

Beroepsgeheim

Ik ben een fan van De Standaard der Letteren, het literaire krantje dat wekelijks bij De Standaard zit.  Een paar maanden geleden kreeg de bijlage een nieuwe lay-out. Aangezien ik graag heb dat goede dingen, goed blijven, heb ik een hekel aan verandering.

Tegenwoordig: update = meer apparaten (zoals computers, iPads, iPhones, iWeetikveelwat met mogelijkheid tot lezen van zwart-witte vierkantjes in musea, weekbladen, etc). 

Ik vreesde voor de zaak: stel je voor, straks moest ik mijn SdL lezen op een iPad *huivert*

Mijn angst bleek onterecht. De recensies, interviews en nieuwtjes werden op een aantrekkelijke manier gepresenteerd zonder aan diepgang in te boeten. Van de meeste besproken boeken wordt de eerste zin afgedrukt. En geef toe, hoe veel meer leest een mens als hij een impulsaankoop doet? Luuk Gruwez gaf  al het voorbeeld met zijn poëziebesprekingen. Naast zijn recensie stond (en staat) een volledig gedicht uit de besproken bundel. Dankzij hem werd ik na het lezen van Oerknal meteen fan van Lieke Marsman. Niet veel later kocht ik haar debuut Wat ik mijzelf graag voorhoud.

Bon. Ik dwaal af.

Op de laatste bladzijde van de nieuwe SdL staat een nieuwe rubriek: beroepsgeheim. Hierin vertelt een schrijver over iets (een mens, dier, plant, schilderij, kamer, plaats, etc) dat onlosmakelijk verbonden is met zijn schrijverschap. Kwamen reeds aan bod: de notaboekjes van Koen Peeters, de oordoppen van Miranda July en het hondje van Saskia De Coster

Huisdieren blijken populair. Jennifer Egan, bekend van Bezoek van de knokploeg, schrijft over de gunstige invloed van haar drie huiskatten (Gordon, Emerald en Cuddles):

Ze zitten dan op het voetbankje of kruipen op mijn schoot, als een warm motortje dat me mee gaande houdt zonder dat ik veel moet doen om dat te verdienen. Het zijn een soort geesten: ze zijn er, maar eigenlijk ook niet. (...) Ze delen de ruimte met mij, op een heel milde manier. (...) In die zin is een kat de perfecte gezel voor een schrijver.

Als je zoiets leest, dan denk je: een groot schrijver heeft een kat nodig. Nee? Hier in huis loopt er ook één rond. Zij leert zich perfectioneren in twee dingen: slapen en miauwen (VEEL miauwen). Schrijven lukt prima als ze met haar poten in de lucht ligt te ronken, maar eens ze wakker is en aan haar concert begint, daalt mijn productiviteit. Dan vraag ik mij af wiens idee het was om een kat in huis te halen (het mijne). Maar, het is een schatje. Zelfs al krijg ik een punthoofd van haar gemiauw, dan nog wil ik haar doodknuffelen.

De invloed van huisdieren op mijn schrijverij is een wisselend succes. Al kan ik mij moeilijk inbeelden dat Egan nooit naar de dierenarts moet, kots en plas opkuist of het kattenluik instelt op ze-kunnen-wel-naar-buiten-maar-niet-meer-terug-binnen. Volgende passage uit Egans beroepsgeheim is dan weer herkenbaar:

Soms dommelen we samen in. Belachelijk – ik weet het. In het begin dacht ik: mijn god, als mijn boek mij zelfs al niet meer wakker kan houden… Maar nu heb ik er vrede mee. Ik schrijf heel onbewust; het heeft zelfs iets van een droom. Daarom overtuig ik mezelf ervan dat het niet zo verwonderlijk is dat ik af en toe in slaap val, en dat het zelfs een vorm van werken is.

Ik focus mij op een woord, zin of alinea en terwijl ik dat doe, schuiven mijn oogleden naar beneden. Dat duurt een paar seconden en dan schrik ik wakker. Onze kat staart mij dan aan met een blik die zegt: ik heb je wel zien slapen, jij lamzak. 

Aaaah, wegdromen. Als er iets is waar ik goed in ben! Ik mag nog zo geconcentreerd bezig zijn, het kan mij altijd overvallen. Favoriete wegdroommomenten zijn: op de trein (al starend naar het landschap), tijdens het koken van een eenpansgerecht (niet te moeilijk en vaak met bouillon of kokosmelk, kans op aanbranden is gering) of terwijl ik mijn tanden poets (dan valt de tandenborstel stil en zie ik visioenen in de badkamerspiegel).

Naar aanleiding van Egans artikel vroeg ik mij af wat mijn schrijfritueel is. Ik kon niet meteen iets vinden. Soms is de kat in de kamer, maar soms ook niet. Soms begin ik vroeg, soms wat later. Ik heb geen knuffelbeer naast mijn computerscherm staan, geen gelukspen of favoriet paar schrijfsokken. Mijn ritueel is eerder een verzameling van handelingen. Ik noem het: het dagelijkse leven. Tijdens gewone, gemiddelde (saai, voorspelbare?) weken heb ik een vast schrijfritme. Ik weet op voorhand waar en wanneer ik zal schrijven (tenzij ik te moe ben, blijf hangen op het internet of in boekjes begin te bladeren). Tijdens vakantieweken draait mijn schrijfritme in de soep. Ik ben gestopt met mij voor te nemen om dan veel te schrijven. Hoe harder ik dat zeg, des te minder het gebeurt. Dus, laat mijn leven niet spannend zijn? Egan zou hierop waarschijnlijk positief antwoorden:

Ik ben al met dezelfde man sinds 1986, mijn kinderen spelen baseball en we wonen al in dit huis sinds hun geboorte. Maar net dat werkt verdomd goed. Het is heel lastig om een tumultueus, avontuurlijk leven te leiden en ook nog te werken. Precies dat huiselijke bestaan, met mijn drie katten, heeft me tot een soort stilte en rust gedwongen waarin ik heel veel geschreven krijg.

Een verademing vond ik haar beroepsgeheim. Ze staat niet lekker op de foto (waarmee ik niet heb gezegd dat ze lelijk is, integendeel) en schrijft geen roman in rokerige kroegen of trendy hotelkamers in New York (waar ze wordt gefotografeerd voor een of ander blad). Nee, ze schrijft met dommelende poezen op de vensterbank, wollige sloffen aan haar voeten (in mijn fantasie) en een kop vruchtenthee (in mijn fantasie). 

Uiteindelijk draait het om een boek. Als de woorden werken, is de weg ernaartoe voor de lezer van geen belang.

Het hele artikel van Egan in SdL lees je hier.