Posts tonen met het label Hestia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hestia. Alle posts tonen
zondag 31 januari 2016
Hestia - een eerste stap naar bevlogen wonen (Thuismakers Collectief)
Beste Anna en Samuel*,
Mijn antwoord op jullie mails heeft even op zich laten wachten omdat ik me plots realiseerde dat er in mijn antwoord meer zat dan alleen een welgemeend dank je wel. Desalniettemin: dank je wel om mijn teksten over wonen zo aandachtig te lezen. Op dat vlak verschil ik weinig van de gemiddelde blogger; we worden - uiteindelijk - toch graag gelezen. Een blog is een ideale plek om met anderen van gedachten te wisselen. Hoe wonen wij? Wat is een thuis? Het antwoord van anderen op zulke vragen prikkelt me om mijn eigen ideeën daarover te verdiepen.
Laat me toe, voor ik verder ga, om ook op mijn beurt de website van het Thuismakers Collectief een compliment te geven. Het ziet er visueel en inhoudelijk helemaal top uit. 'Oef,' was mijn eerste reactie; 'Eindelijk,' mijn tweede. Ik heb er schoon genoeg van dat het thema wonen in de populaire media door interieurgoeroes, - programma's en -bladen wordt gekaapt. Het lijkt wel of ik steeds hetzelfde oppervlakkige betoog in een lichtjes gewijzigde vorm krijg aangeboden. Hierdoor wordt het gesprek over wonen en thuis verengd tot een monoloog van sterontwerpers of toonaangevende bladen over de juiste verf en meubels. Mag het iets meer zijn?
Hoog tijd dat enkele alternatieve stemmen, zoals het Thuismakers Collectief, zich in het gesprek mengen. En ik dacht: weet je wat, ik doe gewoon mee. Hemel, nu klinkt het alsof ik me op het eerste onderwerp heb gestort dat mijn pad kruiste. Zo liep het niet helemaal. 2015 was voor mij één lang verhuisjaar. Ik hielp mijn moeder verhuizen, startte op het werk op een andere locatie en verhuisde zelf terug naar de stad. Zowel banale als meer filosofische gedachten over wonen speelden bijna onafgebroken door mijn hoofd. Er was, nu eens met een verfborstel, dan weer met een doos in de hand, geen ontsnappen aan. Sinds een tweetal maanden probeer ik dat kluwen van woon- en thuisgedachten blogbericht per blogbericht te ontwarren.
Ik doe mijn fascinatie voor wonen overigens onrecht aan als ik zeg dat het onderwerp me pas sinds vorig jaar bezighoudt. Toen ik er even voor ging zitten, kwam ik tot de verbazende vaststelling dat ik tijdens de eerste drieëndertig jaar van mijn leven in wel tien verschillende huizen of appartementen heb gewoond. Als kind van gescheiden ouders ervoer ik van jongs af aan hoe een mens twee plekken tegelijkertijd als een thuis kan beschouwen. Mijn thuisgevoel kende noodgedwongen enige flexibiliteit. Het gevoel reisde met me mee en nestelde zich op de banken en bedden van het huis waar ik die nacht in slaap zou vallen. Die flexibiliteit viel me zelden zwaar, integendeel. Een compact, wendbaar thuisgevoel is ontzettend handig. Ik kon en kan het naar eigen goeddunken open en dichtklappen, zoals een jack-in-a-box. Bijgevolg is het aantal plaatsen waar ik me ooit thuis heb gevoeld veel groter dan tien - gaande van een stoel aan een vieze keukentafel in mijn eerste studentenhuis in Leuven tot en met het zachtste, witste bed ooit in een hotel in Göteborg.
Een leven zonder flexibel thuisgevoel lijkt me een leven op de dool. Je ergens thuisvoelen betekent voor mij dat ik een plek in mijn leven integreer. Die plek - of dat nu een kamer, huis, straat of stad is - gaat deel van mijn verhaal uitmaken, maar ook ik word op mijn beurt opgenomen in de (on)geschreven annalen van de grond onder mijn voeten of het dak boven mijn hoofd; ik geef de omgeving zin én de omgeving geeft mij zin. Het huis waarin ik woon mag nog zo mooi, stevig en veilig zijn, als die beweging naar zingeving niet op gang komt, zal ik die plek nooit als een thuis beleven.
Jullie mails dwingen me om mijn ervaring van een thuisgevoel recht in de ogen te kijken. Toegegeven, tot nu toe benaderde ik het onderwerp vooral via zijwegen die me langs kranen, ruïnes en Ikea hebben geleid, in de hoop dat na verloop van tijd een verband, een essentie tussen de verschillende stukken zal bovendrijven - een essentie die ik op het einde van de rit waarschijnlijk niet in één slogan zal kunnen vatten. Een thuis laat zich niet in slagzinnen vangen omdat iedereen iets anders ziet, hoort, ruikt en voelt wanneer het woord wordt uitgesproken. In het beste geval levert een omschrijving van het woord een definitie op die tijdelijk kan dienen. Hoe wij wonen, waar wij wonen, waarom wij wonen en wat een thuisgevoel is, is immers aan tijd en plaats gebonden. Het onderwerp glipt als een nat stuk zeep uit je handen als je het te hard probeert vast te pakken, maar dat maakt het nu net zo boeiend.
Het voordeel van zijwegen is dat het vaak interessantere antwoorden oplevert dan een directe confrontatie met een onderwerp. Als ik het internet afschuim, lees ik dat mensen een thuis omschrijven als een plek waar ze graag en veel zijn. Maar wat betekent dat: ergens graag zijn? Een thuis is niet alleen een plek waar je de krant leest, televisie kijkt of samen met je gezin eet, evengoed eindigt je avond onder hetzelfde dak met een fikse ruzie. Dichtgegooide deuren trillen in hun hengsels, waardoor zelfs het huis een aandeel in de discussie lijkt op te eisen. Dat graag zijn verwijst dus niet alleen naar aangename gebeurtenissen. Ik vermoed dat het iets te maken heeft met de zingeving waarover ik eerder sprak. Mensen verbinden voorwerpen en kamers met herinneringen. Een thuis is een verhaal en zij voelen zich in een verhaal opgenomen.
Hoe waarheidsgetrouw is overigens de uitspraak dat een thuis de plek is waar iemand veel tijd doorbrengt? Wie buitenshuis een voltijdse baan uitoefent, spendeert vaak meer wakkere uren op de werkvloer dan thuis. Als we de slapende uren meetellen, helt de balans voor de meesten onder ons waarschijnlijk wel weer over in het voordeel van onze thuis. En dat slapen - dat behaaglijke bed - vind ik een belangrijk gegeven. Misschien is dat wel een van de belangrijkste kenmerken van een thuis: we durven er in slaap te vallen.
Een van mijn volgende blogberichten gaat over wonen in de stad - een plek die door veel mensen als een thuis wordt omschreven. Onlangs zei iemand tegen me dat ze de koffiebars in Brussel als een verlengstuk van haar woonkamer beschouwt. Zo'n alternatieve woonkamer, en bij uitbreiding de hele stad, hebben we echter veel minder onder controle dan ons eigen huis. Een stad legt haar plattegrond aan ons op en wij moeten ons in dat web van straatjes en gewoontes leren bewegen. Daarenboven delen we dat web met anderen. Het plekje op een bank op een plein dat je als het jouwe beschouwt, is niet alleen van jou. Iedereen mag er elk moment, ook op jouw moment, op gaan zitten.
Een stad strijkt je tegen de haren in. Je moet verdragen dat je onverwacht tegen het onverwachte aanbotst. Wie zich thuis voelt in de stad, geeft zich over aan haar ritme; slenteren in haar straten, doezelen in haar park, slapen onder haar daken. Maar de momenten waarop wij slenteren, doezelen of slapen, verschilt van persoon tot persoon. Alle inwoners definiëren en beleven hun thuisgevoel op een andere manier en op een ander moment. Dat is vast een van de redenen waarom de stad zelf nooit slaapt.
Groeten,
Ward
*Anna Dekker en Samuel de Zeeuw zijn twee van de drie gangmakers achter het Thuismakers Collectief. Het Collectief voert (onderzoeks)projecten uit rond het thema thuisgevoel. Ik nam contact met hen op naar aanleiding van mijn blogberichten over Hestia, een eerste stap naar bevlogen wonen.
zondag 10 januari 2016
Hestia - een eerste stap naar bevlogen wonen (Ikea - deel 2)
Ben jij verwekt in een bed van Ikea? Dat zou best kunnen. In geen tijd heeft de Zweedse meubelketen een monopolie op ons interieur verworven met strakke en vooral goedkope meubels en woonaccessoires. Ikea zegt duurzaamheid en ecologie hoog in het vaandel te dragen. Simpel gezegd: je hoeft je niet rot te voelen over dat goedkope prijskaartje van je nieuwste boekenkast. Maar, is dat wel zo?
De mensen op de eerste plaats*
Ikea wordt als een op en top Zweeds merk in de markt gezet, toch stroomt er opvallend veel niet-Scandinavisch bloed door de aderen van de Ikea Groep. De meubelketen bestaat uit een kluwen van stichtingen, holdings, bedrijven en trusts** in belastingsparadijzen zoals Liechtenstein en Luxemburg. Het moederbedrijf, de Stichting INGKA Foundation, is in Nederland gevestigd en heeft de status van een liefdadigheidsorganisatie. De Stichting heeft als doel een innoverende rol op het vlak van architectuur en interieur te spelen. Nederlandse non-profits genieten van een voordelig belastingsregime en zijn niet verplicht hun financiële huishouding te openbaren.
Een rationele belastingsplanning hoort bij de bedrijfscultuur, aldus Ikea. Een lage belastingdruk zorgt ervoor dat onze nieuwste Frosta betaalbaar blijft. De meubelketen schijnt te vergeten dat het geld dat de overheid door hun rationale belastingsplanning misloopt ergens anders vandaan moet komen. Of juister gezegd: bij iemand anders, namelijk de consument die met een Frosta aan de kassa staat. Hij gaat naar huis met het idee dat hij een koopje doet, terwijl hij een jaar later via zijn aanslagbiljet een tweede keer aan de kassa moet passeren. Ikea, een liefdadigheidsorganisatie? Ik dacht het niet. De meubelmastodont is een winstgevende multinational met Zweedse roots die actief belastingen ontduikt.
Komt een klant bij Ikea werkelijk op de eerste plaats? Hoe vergaat het hem in de periode tussen het crediteren van zijn bankrekening en de ontvangst van zijn aanslagbiljet? De ene komt thuis met veel meer spullen dan hij nodig heeft, de ander verzeilt in een echtelijke ruzie over een ontbrekende schroef en weer iemand anders wordt door de meubelketen gedeletet. De catalogus die in 2012 in Saoedi-Arabië verscheen, verschilde amper van de onze, alleen bleek de Ikea-wereld plots vrouw-vrij. Vrouwen werden digitaal uit alle foto's verwijderd uit vrees potentiële Saoedi-Arabische klanten te choqueren. In 2013 weerde de meubelketen een artikel over een lesbisch koppel uit de Russische catalogus uit respect voor een lokale wet die holebi-propaganda verbiedt. Twee gigantische blunders voor een onderneming afkomstig uit een land dat wereldwijd ranglijsten over gendergelijkheid aanvoert.
Welkom in de onafhankelijke republiek van je huis
IKEA Disobedients, een kunstwerk van Andrés Jacque Architects, is een architecturale performance die zich in een ruimte met Ikea-producten afspeelt. In plaats van de meubels met behulp van de handleiding op te bouwen, gebruikt het kunstenaarscollectief de planken en schroeven naar eigen goeddunken. De locatie wordt bevolkt door een bonte groep tijdelijke bewoners. Zij zingen, dansen, musiceren, koken, eten en praten met elkaar op een plek die bemeubeld is met grillige, speelse, monstrueuze en tegendraadse constructies.
Ikea ziet een thuis als een onafhankelijke republiek, een a-politiek eiland. IKEA Disobedients verwerpt die visie radicaal en ervaart een thuis als de plek die ons met de rest van de wereld verbindt. Er is een voortdurende wisselwerking tussen binnen en buiten. Vanuit ons huis lopen er honderden onzichtbare draden naar buiten - naar zowel mensen (buren, vrienden, vijanden, familie, etc) als plaatsen (treinstations, parken, handelszaken, culturele centra, scholen, etc). De buitenwereld dringt op haar beurt ook ons huis binnen via kranten en tijdschriften, een televisietoestel of de klantenkaart van een supermarkt.
Ikea richt ons huis conform hun norm in; de mens is voor de meubelketen een consument. Hij betaalt voor een product dat hij zelf moet monteren. Hij voelt zich een maker, zowaar een ambachtsman. Hij maakt echter niets, of toch niets nieuws. Het eindresultaat is een massaproduct, wat in schril contrast staat met de unieke stukken die door een echte ambachtsman worden gemaakt. Andrés Jacque Architects zet het publiek aan tot Ikea-ongehoorzaamheid.
Jacque, de stichter van het collectief, is naast kunstenaar ook een architect. Over dat laatste beroep zegt hij in een interview:
Het werk van een architect is om realiteiten te maken, om iemand te zijn die op de werkelijkheid reageert, is niet om conformisme en gemoedsrust te produceren, maar om dat te onderbreken, twijfel te zaaien, te dissecteren zodat dat kan worden bestudeerd en aan een laboratoriumanalyse kan worden onderworpen***.
Voor Jacque is de mens geen consument of pseudo-ambachtsman, maar een soort van architect, iemand die in staat is zelf na te denken over hoe hij wil wonen.
Live work play
De meubelketen wil meer dan alleen ons huis inrichten. Ze wil ook de rest van ons leven vormgeven. De volgende stap is inmiddels gezet: Ikea bouwt een stad. Strand East, een inbreidingsproject ten zuiden van het Olympisch Park van Stratford (London), is een intitiatief van Vastint UK B.V., een onderdeel van de Inter Ikea Property Division. De website bevat geen spat geel of blauw, dé typische Ikea-kleuren. De naam van het bedrijf vind je slechts één keer terug, in de kleine lettertjes op de contact us-pagina. Waarom wil de meubelketen haar rol in het project maskeren?
Multinationals richten onze huizen, steden en levens steeds meer in. We vinden het normaal dat ondernemingen die winst beogen het uitzicht en de bestemming van onze openbare ruimte bepalen. Een inwoner van de stad wordt gedegradeerd tot een consument, een potentiële koper van een huis, product of dienst. Stedelingen zijn zelf zelden vragende partij voor het zoveelste inbreidingsproject.
Stad Brugge geeft inwoners een stem in de ontwikkeling van de stad via detoekomstvanbrugge.be, een digitaal platform dat mensen, ideeën én ruimte wil samenbrengen. Uit de ingediende project blijkt dat de Bruggeling vooral nadenkt over initiatieven die het samenleven en -wonen bevorderen, zoals een fietsbrug, een creatief centrum, nieuwe woonvormen en een autovrije stad.
Ook de recentste Brugse Triënnale legde de focus op het thema wonen. De curatoren vroegen zich af wat er zou gebeuren als de vijf miljoen toeristen die de stad jaarlijks onthaalt in Brugge zouden blijven wonen. De kunstenaars dachten na over hoe we anders en beter kunnen samenleven met meer mensen op dezelfde plek. Ze bouwden onder andere boomhutten in het Begijnhof, een drijvende loungeruimte op een waterkruispunt en een huisvestingsproject dat de sociale piramide in één gebouw integreert. De meeste kunstwerken verkenden niet alleen nieuwe woonvormen, maar schiepen ook een kader voor ontmoeting en haalden de schotten tussen wonen, werken en ontspannen weg.
Wij zijn ook bang in het donker
De projectontwikkelaars van Strand East willen de nieuwe stadswijk verdelen in plekken voor wonen, werken en ontspannen. Een levende stad laat haar activiteiten echter niet in specifieke zones opdelen. Mensen wonen, werken en ontspannen in toenemende mate door elkaar en tegelijkertijd. Stedelingen belichamen deze evolutie en vragen om ingrepen die strubbelingen en conflicten (preventief) het hoofd bieden. Hun suggesties faciliteren samenleven- en wonen. Strand East is dan ook geen stad van de toekomst, maar een modelwijk conform een voorbijgestreefde norm die geen rekening houdt met haar toekomstige inwoners en met stedelijke ontwikkelingen.
Producten zoals Frosta, Docksta en Poäng doen overigens meer dan alleen refereren aan iconische ontwerpen van Alvar Aalto, Eero Saarinen en Arne Jacobsen****. Het zijn regelrechte kopieën van interieurklassiekers, alleen de prijs verschilt van het origineel. Dat maakt van Ikea geen trendsetter, maar -volger. En juist daarom zal de meubelketen nooit een volbloed erfgenaam zijn van Bauhaus, een stroming die tot op vandaag voel- en zichtbaar is in huisinrichting en architectuur. De vorm volgt functie-filosofie van stichter Gropius leidt niet alleen tot het ontwerp van uitgepuurd design, maar ook tot een leven met zo min mogelijk rommel. Bij Ikea draait alles in de eerste plaats om winst. Het maakt voor de meubelketen niets uit of de producten die we kopen een essentiële toevoeging aan ons interieur zijn.
We hebben allemaal een verhaal te vertellen
Ben ik de enige die het vreemd, ja zelfs beangstigend vind om in woonkamers van Brussel tot Sydney dezelfde tafel of stoelen te zien? Een goed product mag wat mij betreft wereldwijd een bestseller worden, maar niet wanneer de diversiteit daaronder lijdt. Nadat Ikea het aanbod heeft vervlakt en versmald, moet nu ook onze identiteit eraan geloven; een Belg is een Chinees is een Amerikaan. We bellen met dezelfde telefoon, dragen dezelfde kleren en lezen Het meisje in de trein in onze Poäng.
Een volledig interieur dat op één dag tijd wordt gekocht, kan nooit een persoonlijk verhaal of een individuele geschiedenis van een bewoner belichamen. Souvenirs, dragers van herinneringen, misstaan in een woonkamer met gloednieuwe, zielloze meubelstukken. Ikea wist ons verleden uit en geeft ons in plaats daarvan een tijdsgebonden luchtbel zonder verhaal.
Tussen nu en 2007, het jaar waarin ik mijn eerste flat met spullen van Ikea inrichtte, is mijn interieur ingrijpend veranderd. Ik verhuisde nog eens twee keer, waarbij ik telkens een deel van mijn uitzet weggaf of verkocht. Een ander deel belandde in de vuilnisbak of een container van het recyclagepark omdat het kapot was, versleten of hopeloos uit de mode. Mijn oude Ikea-uitzet voelt zich met andere woorden niet thuis in een interieur dat organisch groeit.
Kamers richten zich zelf wel in, stel ik vast. Mijn rol blijft best minimaal. Hoe minder ik me bewust met inrichting bezighoud, hoe meer de kamers zich naar mijn smaak en behoeften plooien. Meestal merk ik dat pas achteraf, wanneer meubels en voorwerpen zich onopvallend, bijna achter mijn rug om hebben verplaatst. Plots staat een tafel of vaas op een andere plek en komt ze daar eindelijk helemaal tot haar recht. Het bed van Ikea hebben we op 2dehands.be te koop aangeboden.
* De tussentitels van dit stuk vond ik op www.ikea.com of in Ikea-reclames.
Ikea - deel 1
Een kraan
Een ruïne
Labels:
Alvar Aalto,
Andrés Jacque,
Arne Jacobsen,
Bauhaus,
Bevlogen wonen,
Docksta,
Eero Saarinen,
Essay,
Frosta,
Hestia,
Ikea,
IKEA Disobedients,
Poäng,
Strand East,
Triënnale Brugge,
Walter Gropius
zondag 3 januari 2016
Hestia - een eerste stap naar bevlogen wonen (Ikea - deel 1)
Ben jij verwekt in een bed van Ikea? Dat zou best kunnen. In geen tijd heeft de Zweedse meubelketen een monopolie op ons interieur verworven met strakke en vooral goedkope meubels en woonaccessoires. Ikea zegt duurzaamheid en ecologie hoog in het vaandel te dragen. Simpel gezegd: je hoeft je niet rot te voelen over dat goedkope prijskaartje van je nieuwste boekenkast. Maar, is dat wel zo?
Voor onze favoriete kamer in huis (de jouwe)*
Één op de tien Europeanen werd in een bed van Ikea verwekt, dat blijkt uit een onderzoek waarnaar in artikels geregeld wordt verwezen. Wanneer, waarom, hoe, door en voor wie het onderzoek werd uitgevoerd, vind ik nergens terug. Niemand schijnt het resultaat in vraag te stellen. Blijkbaar is de Zweedse meubelketen dermate in onze slaapkamer geïnfiltreerd dat we ervan uitgaan dat het cijfer wel moet kloppen.
Ik weet zeker dat ik niet in een bed van Ikea ben verwekt. Ik zag het licht in 1983, één jaar vóór het eerste Belgische filiaal de deuren opende. Mijn generatie zorgde er wel voor dat de keten uitgroeide tot een meubelmastodont. Wij maken Europeaantjes tussen Zweedse lakens. Wij zijn Ikea. Bezoek het huis van een dertiger en het lijkt alsof je door een catalogus wandelt. Via onze interieurs voert Ikea de klok rond reclame.
Onze huizen stemmen zelden overeen met de nette en gezellig ingerichte Ikea-kamers waarin iedereen altijd lacht. Niemands leeft zoals modellen in catalogi. We lachen niet altijd. We poetsen niet altijd. We breken al eens een raam of hebben last van een vochtprobleem. Alleen mensen die nooit thuis zijn en een poetshulp aanwerven, hebben een huis dat er altijd perfect bijligt. Dat soort mensen tref je zelden aan in een Ikea-labyrint met een potlood en papieren lintmeter in de hand.
Voor zoveel mogelijk mensen
Ikea is een levensstijl geworden, een stijl die jaarlijks zorgvuldig wordt uitgelegd in hun catalogus - een uitgave met een oplage van 200+ miljoen exemplaren, een bestseller die monstersuccessen als Fifty Shades of Grey of de bijbel jaar na jaar met gemak achter zich laat. Voor sommige fans is de catalogus een bijbel geworden, een boek dat voorschrijft hoe ze moeten leven in een minimalistisch interieur met overwegend witte, zwarte en houtkleurige tinten, en dat allemaal voor een zeer schappelijke prijs.
Ikea wordt wel eens de opvolger genoemd van Bauhaus, een stroming die na de Eerste Wereldoorlog ontstond onder invloed van de Duitse architect Walter Gropius. Kunstenaars en ambachtslui konden volgens hem van elkaar leren en moesten hun krachten bundelen om kwaliteitsvolle en functionele producten te maken. De functie van een object was het leidend principe van elk Bauhaus-ontwerp. De uitgepuurde ontwerpen werden vervolgens op industriële schaal geproduceerd. Het resultaat was sober design aan een lage prijs. Strak en goedkoop zijn twee voorwaarden waaraan ook elk product van Ikea moet voldoen.
De filosofie van Ikea en de Bauhaus Dessau Foundation stemt niet alleen op papier overeen, ook in praktijk vinden ze elkaar tijdens de Ikea Bauhaus Summer School - een opleiding en residentie in de Masters' Houses, vier huizen in Dessau naar een ontwerp van Gropius, waarbij jong talent wordt uitgedaagd de Bauhausgeschiedenis naar de 21e eeuw te vertalen via minimalistische ontwerpen die onze manier van slapen, eten, werken en ontspannen beïnvloeden.
Scandinavië is hot. Ikea slijt dan ook vlotjes meubelen. Het ene lijkt een logisch gevolg van het andere, maar de Zweedse meubelketen doet meer dan surfen op een succesgolf: ze heeft de golf mee veroorzaakt. Inmiddels reikt haar invloed zo ver dat gelijkaardige ketens zoals Leen Bakker of Kwantum hun aanbod ikeaniseren. Hun producten zouden evengoed in de rekken van de concurrent kunnen liggen. Het aanbod vervlakt en versmalt. Je vindt niet langer een beetje van alles, maar heel veel van (ongeveer) hetzelfde.
Elk stuk is uniek
Jules Yap, de stichtster van ikeahackers.net, bundelt op haar website ideeën en toepassingen waarbij producten van Ikea worden aangepast en hergebruikt. Je vindt er bijvoorbeeld een how-to voor een Frosta X - een elegant wandrek gemaakt van drie Frostra's, de bekendste Ikea-kruk. In 2014 ontving ikeahackers.net een brief van de meubelketen met de vraag de website te sluiten wegens schending van het intellectueel eigendomsrecht. Yap uitte in de media veelvuldig haar verontwaardiging. Ikea milderde de toon van het schrijven en draaide uiteindelijk helemaal bij. Ikeahackers.net staat tot op vandaag online.
Ikeafans.com, een website die in 2005 door James en Susan Martin werd opgericht, was een ander lot beschoren. Aanvankelijk was de liefde tussen het koppel en Ikea wederzijds. James en Susan kregen sneak peaks van catalogi, mochten regelmatig achter de schermen kijken, namen exclusieve interviews van vertegenwoordigers af en spraken voor publiek op evenementen van Ikea. In 2011 kwam aan hun samenwerking abrupt een einde. Het koppel werd gevraagd de domeinnaam over te dragen. Drie jaar en wat juridisch gekissebis later viel het doek over de grootste Ikea-community op het web.
Ikea houdt de touwtjes graag strak in handen, ook als daarbij de kop van hun vurigste fans rolt. Het bedrijf wil heer en meester over hun merk en ons interieur blijven. Dat is jammer, pijnlijk en dictatoriaal. Yap en de Martins gingen op een creatieve manier met het Ikea-gamma aan de slag. Ze bevestigden daarmee hun liefde voor het bedrijf, maar vormden door hun creativiteit ook een tegengewicht tegen de vervlakking en versmalling van het aanbod.
Het stuitte Ikea tegen de borst dat ikeahackers en ikeafans dankzij banners en buttons op hun websites een inkomen genereerden, onder andere door reclame voor andere meubelzaken en diensten te maken. Ikea schijnt te vergeten dat er in de eerste plaats reclame voor hun merk werd gemaakt. In feite waren beide websites schermvullende Ikea-reclames, gemaakt door mensen die niet eens op hun loonlijst staan of stonden.
Doe het eens anders
De student die op kot gaat, dochter of zoonlief die alleen gaat wonen, het koppel dat een eerste stek vindt; de meerderheid zal met het oog op een verhuizing een trip naar Ikea plannen. Een bezoek is een automatisme geworden. Het is bij mij niet anders gegaan. In 2007 richtte ik mijn eerste flat bijna volledig in met Ikea-producten, van het bed tot de bank, de boekenkast en het bestek in de keukenla. Enkel mijn potten en pannen waren van een ander merk, en die had ik cadeau gekregen.
Denken we aan wooninrichtingsartikelen of wonen in het algemeen, dan trekken we met z'n allen naar een van de gigantische geel-blauwe blokken. Op één namiddag tijd shoppen we een interieur bij elkaar of op z'n minst gaan we, dankzij een uitgekiende winkelindeling en presentatie van producten, met meer spullen naar huis dan we ons hadden voorgenomen. Op basis van wetenschappelijk beproefde methoden doet Ikea ons geloven dat we een minimalistische look creëren door zo veel mogelijk artikelen uit hun gamma te kopen.
De tijd is voorbij waarin we lang nadachten over de aankoop van een volhouten salon dat de rest van ons leven moet dienen. We willen niet langer tot aan onze dood naar dezelfde tafel en stoelen kijken. Zodra een trend voorbij waait, huppelen we achter de volgende aan. We kunnen erop rekenen dat Ikea de producten aanbiedt die bij de laatste nieuwe mode horen. En gelukkig maar, sommige meubelen houden het niet langer dan een hype vol.
In het duurzaamheidsrapport van 2015 van Ikea zet Steve Howard, chef duurzaamheid, de positieve resultaten en ambities van zijn bedrijf in de verf. Alle katoen in hun producten is afkomstig uit duurzame bronnen, 50% van het hout wordt uit bossen met een FSC-certificaat** gewonnen, het verlichtingsgamma werkt uitsluitend met energievriendelijk LED-licht en alle Ikea-gebouwen moeten tegen 2020 energieneutraal zijn. Daarnaast onderhoudt de meubelketen partnerschappen met bijvoorbeeld het Wereldnatuurfonds, het UN Refugee Agency en Unicef om aan een betere, socialere en groenere wereld te werken.
Wij gaan voluit voor een duurzamere toekomst
Het verleden en heden van Ikea bestaan niet alleen uit succesvolle bladzijden. In 2010 werd de meubelketen door het Labor Rights Forum in de Sweatshop Hall of Shame opgenomen omdat ze bedlinnen verkocht van Menderes, een Turkse textielfabriek waar vier arbeiders stierven door onveilige arbeidsomstandigheden***. Werknemers van Swedwood, een Amerikaanse dochtermaatschappij van Ikea, uitten klachten over racistische discriminatie en slechte werkomstandigheden. Naar aanleiding daarvan schakelde het bedrijf een advocatenkantoor in om vakbondsvorming te bestrijden****. In 2012 haalde Swedwood opnieuw de pers toen bleek dat het jaarlijks 560 hectare waardevolle bossen in Karelië omhakte, en dat terwijl het bedrijf met een FSC-certificaat werkt.
Ook dichter bij huis veroorzaakt Ikea ecologisch schade door vestigingen buiten commerciële centra te bouwen. Klanten worden verplicht een bezoek met de wagen te plannen. Het openbaar vervoer is meestal geen optie, zeker niet voor wie met een lang, smal en zwaar flat pack naar huis gaat. In Amerika, waar de dichtheid van winkels minder groot is dan in België, zitten mensen soms uren in de wagen voor ze een vestiging bereiken.
Anders Dahlvig, toenmalig CEO van Ikea, zegt in Cheap: the high cost of Discount Culture, een boek uit 2009 van de Amerikaanse journaliste Ellen Ruppel Shell, dat hij elf inspecteurs tewerkstelde die het bosbeleid van Ikea opvolgden. Volgens Ruppel Shell was dat ruim onvoldoende voor een meubelketen die wereldwijd de derde grootste afnemer van hout is. De vraag werpt zich op of het voor een multinational als Ikea binnen de huidige economische context überhaupt mogelijk is handel te drijven zonder humanitaire of ecologische schade te berokkenen. De productieketen is te groot en te lang geworden om bij elke stap van het productieproces het welzijn van mens, plant en dier te garanderen. Meer bosinspecteurs aanwerven, zegt Dahlvig, betekent dat de werkingskosten stijgen, kosten die aan de klanten moeten worden doorgerekend, en dat wil Ikea ons niet aandoen. Design moet immers voor zoveel mogelijk mensen beschikbaar zijn en blijven.
* De tussentitels van dit stuk vond ik op www.ikea.com of in Ikea-reclames.
** Het FSC-certificaat wordt toegekend door de Forest Stewardship Council aan hout dat afkomstig is uit bossen die sociale, economische en milieuvriendelijke voordelen bieden.
*** Ikea voerde op de site een audit uit om de werkomstandigheden te controleren en concludeerde dat er geen grote problemen waren. Vakbonden en anti-sweatshopgroepering kregen geen inzage in de audit.
**** ... wat uiteindelijk mislukte. In juli 2011 trad Swedwood toe tot de International Association of Machinists and Aerospace Workers.
Ikea - deel 2
Een kraan
Een ruïne
maandag 30 november 2015
Hestia - een eerste stap naar bevlogen wonen (een ruïne)
Stenen en mensen (eerste keer)
Soms volg ik de actualiteit niet uit tijdsgebrek of luiheid. Soms is het zelfs een bewuste keuze omdat ik uitgeput raak van de gruwelijkheden die breed in de media worden uitgesmeerd, vooral wanneer dat soort nieuws wordt aangeboden in combinatie met andere - volstrekt oninteressante - weetjes, zoals het zoveelste dronken uitje van Miley Cyrus of een wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat vrouwen klaarkomen van een paddestoel die groeit op opgedroogde lavastromen in Hawaï.
Ik concentreer me liever op creatie in plaats van vernietiging. Daarom keer ik me af van de berichtgeving over Oekraïne, Syrië of Parijs, daarom keerde ik me eerder dit jaar ook af van de oorlogskunst van Marc Chagall in Bozar. Op dit blog schreef ik de overleden kunstenaar een brief waarin ik zei:
Ik raak stilaan verzadigd van oorlog. Oorlog is hot news. Oorlog is sexy geworden. Mensen winnen prijzen met oogstrelende oorlogsfotografie. Bah, ik hoef het allemaal niet meer (op die manier) te zien. Uw schilderijen snijden dieper. Ze veranderen een slagveld niet in een feeërieke locatie voor een film of fotoshoot. Ze dringen zich in al hun hevigheid en gruwelijkheid aan me op. Desondanks, mijnheer Chagall, raak ik van die verzadiging niet af. Zelfs oprechte oorlogskunst is er dezer dagen te veel aan voor mij.Het lukt me zelden langer dan een paar weken nieuws-vrij te blijven. Nieuws vermijden is verdomd moeilijk. Overal waar ik kijk is het (gratis) beschikbaar. Ik wil ook niet in een wereldvreemde pummel veranderen. Mijn geweten stelt me dan de vraag of het juist is me alleen met creatie en schoonheid bezig te houden. Cultuur kan niet zonder barbarij, liet ik me ooit eens vertellen. Sluit ik mijn ogen voor barbarij, dan sluit ik ze met andere woorden ook voor cultuur.
Palmyra (eerste keer)
Zelfs wanneer ik het nieuws mijd, kruipt er af en toe een bericht onder mijn huid, zoals de berichtgeving over Palmyra, een door de UNESCO beschermde historische site in Syrië. Tijdens een avondje op café wijdde een vriendin enkele zinnen aan de vernietiging van de stad door IS, nieuws dat me tot dan toe was ontgaan. Niet veel later bladerde ik door een weekblad waarin een foto stond van een jongen die een salto voor een ruïne maakte. In het onderschrift stond dat het om een beeld uit Palmyra ging. Volgens de journalist was de kans groot dat de ruïne op de achtergrond door IS was opgeblazen.
Ik voelde een schok, zowel fysiek als mentaal. Meteen daarna stak een schuldgevoel de kop op: waarom reageerde ik zo heftig op de vernietiging van een ruïne? De nieuwsberichten over de martelingen, verkrachtingen en moorden van IS brachten nooit zulke emoties bij me teweeg. Op 1 september ervoer ik een gelijkaardige schok toen satellietfoto's van de VN werden vrijgegeven. Daarop was te zien dat IS ook de tempel van Bel van de kaart had geveegd.
Ruinophilia en Ruinenlust
Ruïnes hebben altijd een aantrekkingskracht op me uitgeoefend. Op Google+ volgde ik een tijdje Urban Exploration, een community waar fotografen beelden van ruïnes in steden delen. Ook op Facebook, Twitter, Instagram en Tmblr vond ik groepen die de ruinophilia van vele volgers dagelijks bevredigt. De fascinatie voor vervallen gebouwen gaat terug tot de achttiende eeuw. Op de achtergrond van schilderijen uit die tijd doken ruïnes op. Het publiek hield wel van een vleugje verval. Ruïnes kregen een steeds prominentere plek op het canvas. De Duitser gaven de fascinatie voor verval een naam: Ruinenlust.
Aanvankelijk kreeg ik geen genoeg van de beelden van bouwvallige industrieterreinen en woonhuizen, maar al gauw gingen ze me vervelen. Er scheelde iets met die foto's. Ik geloofde ze niet. De meeste waren zodanig digitaal bewerkt dat ik me afvroeg wat ik precies zag: een ruïne die daadwerkelijk bestond of een fantasie, een dermate bewerkt plaatje dat niets meer met de oorspronkelijke ruïne te maken had. Het resultaat was soms kitsch of nostalgisch, dan weer verleidelijk of sexy. De foto's logen: ze toonden ruïnes zoals we ze graag willen zien, maar niet zoals ze echt zijn. Een knap beeld legt de gelaagdheid bloot van datgene wat wordt afgebeeld.
Verval heeft mensen altijd aangetrokken, of het nu om een gebouw (ruïnelust), een verkeersongeluk (kijkfiles) of een persoon ('Is ze niet oud geworden?') gaat. Iets wat afgebrokkeld, geblutst of gerimpeld is, bezit een eigen esthetiek. Weg is de strakke façade, motorkap of huid. Onder invloed van mens, natuur en de tijd raakt een ruïne haar perfecte looks kwijt. Ze moet zichzelf opnieuw uitvinden en neemt daarbij noodgedwongen afstand van het schoonheidsideaal. Een ruïne laat haar oorspronkelijke, opgelegde vorm los en leidt eindelijk een eigen leven. Omdat het kan en omdat het moet.
Een ruïne: een definitie
Vanaf wanneer is een plek een ruïne? De belangrijkste toetssteen lijkt een zekere mate van verval. Maar over hoeveel verval spreken we dan? Zijn ruïnes per definitie onbewoonbaar? Volstaat een gebroken raam of moet er minstens een boom uit het dak groeien en een muur op instorten staan? En moet het verval zich binnen een bepaalde tijdsspanne voltrekken?
Een ruïne is zowel aan- als afwezig. Een afbrokkelende zuil doet ons denken aan de zuil die er ooit stond en aan wat er in de toekomst misschien voor in de plaats zal komen. Ruïnes maken ons bewust van onze band met de tijd. De ruïne-tijd is lineair, tijd als een rechte lijn tussen verleden en toekomst bv. de ruïne die langzaam afbrokkelen; cyclisch - tijd als een cirkelbeweging, iets keert altijd terug bv. een gebouw wordt een ruïne, wordt weer opgebouwd, wordt weer een ruïne, etc; en kairotisch, tijd als een uitnodiging om creatief in te grijpen op het juiste moment om verandering teweeg te brengen bv. in plaats van een ruïne komt geen nieuw gelijkaardig gebouw, maar iets radicaal anders.
Palmyra (nog een keer)
Na de kernramp van Tsjernobyl werd Pripyat geëvacueerd, de stad die het dichtst bij de ontplofte kernreactor 4 ligt. Kort daarna keerden elanden, herten, lynxen, wolven en everzwijnen naar het gebied terug, nadat ze aanvankelijk door de aanwezigheid van de mens waren verjaagd. Nu, meer dan dertig jaar na de ramp, lijkt de spookstad op een natuurgebied. In de toekomst zal ze volledig door het nabijgelegen bos worden ingepalmd. Blijkbaar gedijt fauna en flora beter in radioactief gebied dan in de buurt van mensen.
Pripyat veranderde langzaamaan in een ruïne, terwijl de tempels, mausolea en zuilen van Palmyra door explosieven met één druk op de knop met de grond gelijk werden gemaakt. De weg naar het moment waarop ze als ruïne werden gedefinieerd verschilt, maar eens ze als zodanig werden omschreven, was er iets wat beide steden deelden: een leegte, een niet-zijn.
Een ruïne heeft geen (economisch) nut, tenzij je er een toeristische attractie van maakt. De vraag is dan of je een omheinde en keurig bijgehouden site waarvoor je toegangsgeld vraagt nog steeds een ruïne kunt noemen. Een conservator gaat verval tegen, een tuinman bedwingt de natuur en een gids legt zijn of haar interpretatie van de brokstukken op.
Ruïnes brengen ons tot zwijgen. Ze zetten ons op het spoor van introspectie en reflectie. Misschien is dat wel de reden waarom mensen naar Pompeï of Petra reizen? De meesten van hen houden het bij één bezoek, maar sommige archeologen maken van een ruïne een levenswerk. Khaled al-Asaad leidde meer dan veertig jaar het archeologisch onderzoek in Palmyra. Met de hete adem van IS in de nek zorgde hij ervoor dat de kunstschatten uit het museum een veilig onderkomen kregen. Niet veel later werd hij door IS gevangen genomen omdat de organisatie hem zag als een afvallige en een aanhanger van president al-Assad. In augustus 2015 werd al-Asaad op een plein in Palmyra door een gemaskerde jihadi onthoofd.
Stenen en mensen (nog een keer)
Een ruïne staat weerloos tegenover geweld. Ze kan zich niet verdedigen tegen explosieven. Een mens is even weerloos tegenover de jihadi's van IS, of toch zij die door de terroristische organisatie als ongelovig worden gezien. Stenen en mensen lijken dan toch meer te delen dan ik aanvankelijk zelf dacht. Daarenboven delen ze meer dan alleen hun weerloosheid tegenover geweld.
Palmyra is een oase in de Syrische woestijn en lag op de zijderoute. Mede daardoor groeide de stad uit tot een van de belangrijkste culturele centra van de oude wereld. De geschiedenis van Palmyra gaat terug tot 2 000 voor Christus. Eeuwenlang vonden mensen - van inwoners tot handelsreizigers, van nomaden tot toeristen - tijdelijk of permanent een thuis in de stad. De ene zocht een dak boven het hoofd om uit te rusten, de ander ervoer de stad als een kunstwerk dat uitnodigde tot reflectie.
Ruïnes zijn met andere woorden ook mensen: zij die de stad hebben opgebouwd en zij die er hebben verbleven. Ruïnes zijn als vlees, bloed, verhalen en herinneringen gegoten in een afbrokkelende vorm. Wie Palmyra van de kaart veegt, vernietigt niet alleen een ruïne, een brok cultuur en een stuk geschiedenis, maar ook en in de eerste plaats de mens en menselijkheid.
Oorlog en vruchtbaarheid
Palmyra is niet meer, maar de stad is niet verdwenen. Haar bestaan is in de annalen opgenomen en op het internet vind je een stroom aan informatie en beeldmateriaal, van wetenschappelijk verantwoorde essays tot mensen die hun vakantiefoto's en -filmpjes online hebben gezet. Als het de bedoeling van IS was om een belangrijk stuk cultuur op te blazen, dan zijn ze daarin slechts deels geslaagd. De ruïne is verdwenen, maar in het collectieve geheugen leeft Palmyra voort.
Het opblazen van de tempel van Bel kunnen we symbolisch opvatten. In de eerste eeuw na Christus werd het gebouw opgetrokken ter ere van Baäl, de Babylonische god van de oorlog en vruchtbaarheid. De tempel was het zoveelste stuk van Palmyra dat IS opblies. Hoelang kunnen ze hiermee blijven doorgaan? De roep om (weder)opbouw, om vruchtbaarheid zal op een bepaald moment weerklinken. Palmyra zal geen uitzondering op die regel zijn. Haar geschiedenis is er één van vernietiging en plundering, maar ook van groei. De omslag van barbarij naar cultuur ligt niet in de handen van IS. Cultuur heeft met creativiteit, opbouw en vrijheid te maken, niet met afbraak en de installatie van een totalitair regime. IS voert oorlog en zal dat blijven doen omdat de organisatie tot niets anders in staat is.
Een nieuwe bevlogenheid
Wie wordt de mond van de vruchtbaarheid? Wie neemt het woord, het initiatief tot opbouw? Die taak moet niet alleen in de door IS gecontroleerde gebieden worden opgenomen, maar ook in de rest van de wereld. De schok die het terrorisme heeft veroorzaakt is tot ver buiten Syrië, Irak, Libië en Nigeria voelbaar. De angst die daaruit voortvloeit wordt door westerse politici tot nu toe beantwoord met het inzetten van een militair apparaat dat de angst in stand houdt of zelfs vergroot.
Eind 2011 stuurde Herman Van Rompuy, toenmalig voorzitter van de Europese Raad, tweehonderd wereldleiders een exemplaar van het boek Geluk van Leo Bormans. Hij voegde daarbij een brief met de vraag het geluk en welbevinden van mensen bovenaan de politieke agenda te zetten. 'Positief denken,' zei hij, 'is niet langer voor zwervers, dromers of naïevelingen.'
Als kerstcadeau voor 2015 stel ik voor dat Donald Tusk, de huidige voorzitter van de Raad, de wereldleiders een exemplaar van Kairos van Joke J. Hermsen geeft. In haar essays pleit de Nederlandse filosofe voor een nieuwe bevlogenheid die gestalte krijgt in Kairos, de Griekse god van het juiste moment. Hij heeft vleugels op zijn rug en voeten en buigt zich in opperste concentratie over een weegschaal in zijn rechterhand. Hij is kaal, afgezien van één lange lok. Kairos weegt alle mogelijkheden zorgvuldig af en grijpt in als de tijd daarvoor rijp is. Hij legt zich niet neer bij het onverminderd verder tikken van de klok die mensen over het algemeen aanzet tot berusting en passiviteit. Hij staat symbool voor creativiteit, voor het zelf op gang trekken van verandering.
Een kairotische politiek
Het juiste moment voor verandering is nu. Op politiek vlak moeten we de kneuterige, gepolariseerde kampen verlaten om een nationaal en internationaal antwoord te verzinnen op economische, ecologische en humanitaire rampen. Het juiste antwoord is een veelheid aan genuanceerde antwoorden die verder reikt dan de volgende gemeentelijke, Vlaamse, Waalse, federale of Europese verkiezingen. De oplossingen liggen in de mond en handen van bevlogen mensen. Politici moeten die bevlogenheid herkennen en erkennen. Politieke beslissingen moeten bevlogen zijn en bevlogenheid stimuleren.
Op de laatste bladzijden van Kairos nam Hermsen een abecedarium op. Daarin bundelde ze een reeks lokale initiatieven van burgers die in hun omgeving op het juiste moment ingrepen en verandering teweegbrachten. De wereldleiders kunnen hieraan een voorbeeld nemen. Zij blinken vooral uit in een gebrek aan durf, en laat nu net die durf noodzakelijk zijn om tot bevlogenen beslissing te komen. Als ze nog lang wachten, grijpen ze naast de lok van Kairos en glijden hun handen van zijn kale knikker.
zondag 15 november 2015
Hestia - een eerste stap naar bevlogen wonen (een kraan)
Ik ben verhuisd en iedereen mag het weten. Van de ene op de andere dag moest ik me thuis voelen op een nieuwe plek. Maar wat betekent dat precies, me ergens thuis voelen? Aan welke voorwaarden moet een thuis voldoen alvorens ik het een thuis noem? Met de hulp van kranen, bouwvakkers, de stad Brussel en René Magritte ga ik op zoek naar een antwoord op die vraag.
Ooievaars en lunaparken
De voorbije maanden ging het er op dit blog rustiger aan toe. Daar heb ik een goed excuus voor: ik ben verhuisd. 'De verschrikkelijkste periode uit mijn leven,' hoor ik mezelf vaak zeggen, waarop anderen steevast reageren met: 'Verhuisstress is snel vergeten.' Ik hoop die woorden weldra zelf in de mond te nemen tegen een van de toekomstige bewoners van dit hoekje Hasselt. Erg lang zal dat niet duren. Mijn nieuwe stek wordt omringd door kranen. Aan de noordkant staan er drie en aan de oost- en zuidkant telkens één. Ze trekken huizen en appartementen op die door immokantoren met veel bombarie in de markt worden gezet.
De kraan in het zuiden produceert een bijzonder geluid: een korte, schelle toon (vergelijkbaar met de toon die quizkandidaten horen als ze een fout antwoord hebben gegeven). Het geluid weerklinkt wanneer de kraan zich in beweging zet - een intrigerend ballet van een loodzwaar slank ijzeren been in de lucht. Al naargelang het uur van de dag gedraagt de kraan zich als een ooievaar of grijparm.
Bouwvakkers en kraanmannen
Bouwvakkers kennen het gebouw van de eerste steen tot de laatste dakpan. Ze staan boven de materiële grenzen van de plek die ze bouwen. Elk grens, zoals een muur of plafond, is immers door hun handen opgetrokken. Enkele maanden lang zijn ze met hun werf vergroeid, maar eens het werk erop zit, maken ze plaats voor de toekomstige bewoners die er permanent zullen verblijven.
De kraanman is misschien wel de persoon met de meeste macht, of toch aan het begin van de werken. Hij beslist wat door de kraan in de lucht wordt getild en waar het wordt neergezet. Vanuit zijn cabine heeft hij een overzicht over de werf. Daar kan zelfs de kennis en de ervaring van zijn collega-bouwvakkers niet tegenop. Pas wanneer de plafonds en daken worden opgetrokken, verliest de kraanman zijn geprivilegieerde positie.
Leeslampen in de rouw
Een betonmolen lijkt gewichtloos wanneer hij aan een kraan door de lucht zweeft. Pas wanneer hij de grond raakt, wordt hij zich weer van zijn ware gewicht bewust. Er bestaat dus niet alleen zoiets als een gevoelstemperatuur, maar ook een gevoelsgewicht. Dankzij een kraan waant een betonmolen zich een pluim. Zolang hij in de lucht hangt, is alles mogelijk.
Iets soortgelijks, zei het op een kleinere schaal, speelt zich bij mij ook binnenshuis af. Een draak heeft mijn inboedel op het oude adres ingeslikt en op het nieuwe adres weer uitgekotst. Meubels, lampen en dozen zijn lukraak over het huis verspreid. Sommige stukken staan beduusd in een hoekje, andere kijken in het midden van een kamer verdwaasd om zich heen, zoals mijn voormalige leeslamp die nu pal naast de eettafel is beland. Ze lijkt te rouwen om het verlies van haar oude plek. Over rouw gesproken, daarover schrijft de Nederlandse grafica en essayiste Nicole Montagne in Een makelaar in Pruisen het volgende:
Als iemand eenmaal dood is, blijkt datzelfde doordeweekse familieleven immers helemaal niet meer zo alledaags en doordeweeks te zijn. Sterker nog: het gewone bleek eindig. Juist in het licht van die eindigheid krijgt een geleefd en afgerond leven iets ongewoons, iets onalledaags, iets ondoordeweeks. Het blijkt uniek en onherhaalbaar. En precies dat onherhaalbare heeft iets wat ons ontzet, iets wat onze vertrouwde wereld heel even doet kantelen: dat gewone, dat doordeweekse komt nooit meer terug.Het komt er met andere woorden op aan de lamp in een nieuwe alledaagsheid of doordeweeksheid op te nemen, om haar een nieuwe vanzelfsprekende plek te geven. Maar, hoe begin ik daaraan? Kan iets vanzelfsprekend zijn als ik erover moet nadenken? Die lamp lijkt altijd naast de bank te hebben gestaan, ook toen ze er nog niet stond. In die lamploze tijd zeurde ik tegen een vriendin over een schromelijk gebrek aan leeslampen in mijn leven, waarop diezelfde vriendin me prompt één aanbood die al jaren ongebruikt in haar kelder stond.
Van huis naar thuis
Wat maakt van een huis een thuis? Als ik interieurbladen moet geloven, hangt alles af van de juiste inrichting. In het verleden heb ik me soms allesbehalve thuis gevoeld op plaatsen die zo uit een blad leken weggelopen. Een trendgevoelig interieur geeft bewoners geen garanties over knus- of huiselijkheid. Ik denk hierbij aan een hotelkamer die ik online boekte op basis van enkele foto's. De gezelligheid droop ervan af. In het echt zag die kamer er precies hetzelfde uit. Prima toch, zou je denken, maar het werkte niet voor mij. Alles wat ik zag was fake. Het leek wel of ik door een catalogus van een interieurzaak liep.
Misschien draait een thuis niet om inrichting, maar om de band die je doorheen de tijd met die plek opbouwt. Ik zou me overal kunnen thuisvoelen, zolang ik er maar lang genoeg woon. Maar ook dat klopt niet helemaal. Ik ben een krak in me ergens nestelen, maar dat betekent nog niet dat ik die plek als een thuis ervaar. Al helpt het wel als een kamer er een beetje uitziet zoals ik het graag heb.
Evenwichten en balansen
Mensen, dieren, zelfs landschappen streven voortdurend naar een evenwicht. Elke balans die wordt verstoord, wil het evenwicht herstellen. De oude situatie keert echter nooit meer terug, hoe erg je dat ook wilt of probeert. In het beste geval creëer je iets nieuws. In het streven naar evenwicht worden capaciteiten van mensen, dieren of landschappen aangesproken die ten tijde van het vorige evenwicht niet (meer) werden aangewend. Evenwicht maakt lui. Streven naar een nieuw evenwicht daarentegen stimuleert creativiteit. Je rekt je eigen mogelijkheden maximaal uit.
Er breekt nu een andere doordeweeksheid aan. En wat is er griezeliger, of meer vervreemdend, dan een alledaagsheid die je nog niet kent maar waarvan je wél weet dat ze (opnieuw) alledaags gaat worden?Ik had het geluk in Brussel rond te lopen enkele dagen nadat het stadsbestuur had beslist de Anspachlaan, ooit één van de drukste verkeersassen, deels verkeersvrij te maken. Eindelijk werd de stad terug aan de bewoners gegeven. Veel mensen, mezelf incluis, vertoonden ontwenningsverschijnselen. Ik kon de straat overal waar ik wilde oversteken, maar de macht der gewoonte dreef me in de richting van de zebrapaden en de verkeerslichten die vreemd genoeg nog steeds werkten.
Op het Koningsplein, op wandelafstand van de Anspachlaan, ligt het René Magritte Museum. Magritte woonde en werkte een groot stuk van zijn leven in Brussel en zou vast geboeid hebben gekeken naar de bijna surrealistische taferelen die zich in de verkeersvrije zone afspeelden. Hij zou zien dat alle actoren hun evenwicht eerst verloren en vervolgens herstelden:
- De bewoners vragen de stad om verandering. Ze dringen aan op een verstoring van het evenwicht van de stad, een evenwicht waarbij druk verkeer op een centrale laan wordt toegelaten.
- Het stadsbestuur zwicht en voert de gevraagde aanpassingen uit. De stad vindt en zoekt een nieuw evenwicht: de centrale laan wordt deels verkeersvrij en wordt als wandel- en fietszone ingericht. Maar ...
- ... het nieuwe evenwicht van de stad, verstoort de balans van haar bewoners, zelfs al hebben zij zelf om de verandering gevraagd. Laat ik het een niet onaangename schok noemen, een schok die elke bewoner of bezoeker aanspoort op zoek te gaan naar een ander evenwicht in een gewijzigde context. Ze gaan een nieuwe relatie aan met een verkeersvrije stad.
Een thuis ligt op het snijpunt tussen inrichting en band. Ik creëer binnen de vier muren van een huis een tweede huis, een mentaal huis, een thuis. Magritte goot dat gevoel in een schilderij met als titel: In praise of dialectics. Op het doek schilderde hij een raam dat op de hoogste verdieping van een gebouw ligt. Het raam staat open en biedt uitzicht op een kamer. De toeschouwer kijkt dus van buiten naar binnen - een onmogelijk standpunt, tenzij iemand een lange ladder tegen de buitenmuur heeft gezet. In de kamer staat een tweede huis. Het huis is vanzelfsprekend kleiner dan de kamer waarin het zich bevindt, maar het lijkt te groot om als poppenhuis voor een kind te kunnen dienen. Magritte plaatst een kleiner huis in een groter huis, zoals ook een kleinere matroesjka in een grotere past. Heeft hij hiermee het mentale huis of het thuisgevoel van de bewoner willen weergeven?
In praise of dialectics is als een warm deken, en dat maakt van het schilderij een atypische Magritte. Hij geeft zijn toeschouwers liever een koude douche. Meestal scheppen zijn doeken onbehagen. Hij ontwricht vanzelfsprekendheden, rukt vertrouwde verbanden uit elkaar en plaats de losgekoppelde elementen in een nieuw, ongezien verband. Denk bijvoorbeeld aan de Magritte-man in het zwarte kostuum die in de spiegel kijkt, maar in plaats van zijn gezicht zijn achterhoofd ziet. Zijn spiegelbeeld valt buiten het normale, hij valt buiten het normale.
En wat te denken van Magritte's Perspective II: Manet's balcony? Daarop verving hij de hoofdrolspelers van The Balcony van Edouard Manet door doodskisten. Sterfelijkheid in één beeld gevat. Als ik mijn verongelijkte leeslamp door een surrealistische molen haal, dan zou ze als een slanke doodskist op het doek verschijnen. Gelukkig is haar dood slechts tijdelijk. Haar wedergeboorte op een ideale plek in huis is nakend.
Ceci n'est pas une pipe
Op Ceci n'est pas une pipe schilderde Magritte een pijp, geen exemplaar waarmee je kunt roken, maar een afbeelding ervan zoals die voor ons geestesoog verschijnt als we het woord horen of gebruiken. Hij moet eerst een echte pijp hebben gezien vóór hij er één kon schilderen. Met de inrichting van mijn huis is het net andersom: voorlopig bestaan de ideeën alleen als een mentaal plaatje in mijn verbeelding. Tijdens de komende maanden wil ik het plaatje in praktijk brengen. De woonkamer en het plaatje zullen overeenstemmingen vertonen, maar nooit samenvallen. Praktische bezwaren, invloeden van buitenaf en mijn altijd veranderende smaak en goesting zorgen ervoor dat de realiteit mijn verbeelding altijd achterna holt. Ik verander, waardoor het plaatje verandert, waardoor het interieur verandert, waardoor ik opnieuw verander, etc.
De discrepantie tussen realiteit en verbeelding lijkt frustrerend, maar is ook de motor van verandering en vooruitgang. Een utopisch interieur is per definitie onbereikbaar, maar ik kan er wel een leven lang naar streven. Die voorwaartse, positieve beweging stopt nooit. De afwisseling tussen in- en ontspanning, tussen nadenken en realiseren, houdt het proces aan de gang. De choreografie van een kraan sluit hier mooi bij aan. Overdag draait ze naarstig om haar as en verplaatst loodzware bouwmaterialen, 's avonds tekent haar silhouet zich tegen de horizon af en lijkt ze te reflecteren over de voorbije en de komende dagen.
Magritte heeft jammer genoeg nooit kranen geschilderd. Had hij dat wel gedaan, dan kon dit essay eindigen waarmee het begon. Niet dus. Ik neem genoegen met een rafelig einde. Rafelige eindjes scheppen onbehagen bij schrijver en lezer, net zoals het werk van Magritte dat bij zijn toeschouwer doet. Het perfecte essay bestaat alleen in mijn hoofd. De tekst die op dit blog verschijnt zal er nooit mee samenvallen. Anders gezegd: een essayist kan nooit tegelijkertijd kraanman (het overzicht, de beschouwing) en bouwvakker (het grondwerk, het detail) zijn. Hij pendelt voortdurend tussen een beschouwend en persoonlijk standpunt. Zodra hij beschouwend schrijft, verschuift er ook iets op het persoonlijke niveau, en andersom. In het beste geval wordt hij zich steeds bewuster van de wederzijdse beïnvloeding die beide standpunten op elkaar uitoefenen. Nicole Montagne beweegt zich alvast meesterlijk over de werf der essayisten. Aan haar het laatste woord:
En zo schuiven we telkens een stukje verder op in onze dagen, zo jagen we onszelf door het gewone leven heen, we denken ermee samen te vallen, toch blijken we er keer op keer aan te ontsnappen. Het zal uiteindelijk een van onze meest wezenlijke angsten; en tegelijkertijd een van onze grootste zegeningen zijn: we vallen nergens werkelijk mee samen. We zijn zowel bevoorrecht met, als veroordeeld tot ontsnapping. Zelfs aan het doordeweekse leven.Het volledige essay van Nicole Montagne lees je hier.
Lees ook:
Een schilderij
Blog over Bloch
Abonneren op:
Posts (Atom)




