Posts tonen met het label Ward Mertens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ward Mertens. Alle posts tonen

dinsdag 19 juni 2018

Kortverhaal: Lavaland (deel 2)

Lavaland
Foto: Gian-Reto Tarnutzer
Einar neemt een ei uit de schaal en zet het in een dopje. Met een mes slaat hij de kop eraf. De dooier piept hardgekookt door de witte kraag. Hij schuift het ei en een snede brood naar Kristín. Ze kijkt niet eens op, blijft werktuiglijk over de buik van de koffiekan wrijven. Einar draait het handvat naar zich toe en vraagt of ik koffie wil. Kristín wrijft verder in het ijle. Een paar minuten geleden stelde hij me dezelfde vraag en schonk mijn kop tot aan de rand vol. Ik heb er sindsdien niet meer van gedronken.
Einar snijdt een boterham in stukken en helpt Kristín met eten. Ze zuigt meer op het brood dan dat ze erop bijt. Plots verstarren haar lippen. Een nat broodpropje valt op de tafel. Speeksel loopt uit haar mondhoek. Verschrikt veeg ik met een servet over mijn eigen lippen. Einar ruimt het brood op en geeft haar een nieuw stuk. Hij pelt haar ei en steekt het in één keer in zijn mond.
Ik zou mededogen moeten voelen, maar het lukt me niet. Ik wil ze allebei door elkaar schudden. Iemand moet hen uit deze halfslaap halen. Zou het niet heerlijk zijn om het tafelkleed weg te trekken en het servies op de vloer aan diggelen te zien vallen?

*

Na de diagnose verkaste Kristín haar dagboeken naar de logeerkamer. Mijn vingers glijden over de genummerde ruggen. Geen letter heb ik er ooit in gelezen. Vroeger bewaarde ze een dagboek onder haar hoofdkussen. De nieuwsgierigheid tintelde in mijn jonge vingers, maar moeder peperde me in dat ik daaraan nooit mocht toegeven. Aangezien ik geloofde dat ze alles zag en hoorde, ook als ze niet thuis was, durfde ik het boek niet te pakken.
Mijn vinger rust op de vervormde rug van het dagboek uit het jaar dat we naar Gullfoss gingen. Kristín zat op een rots langs de waterval in haar dagboek te schrijven. Plots schoof haar pen uit op het blad. Het boek viel van haar knie in het snelstromende water. Einar kon het doorweekte schrift juist op tijd pakken. Ze legde het een paar dagen te drogen en schreef nadien verder op de golvende bladzijden. Haar pen liet het papier kraken alsof het na die duik geen letters meer verdroeg. Ik noemde het haar zuchtende dagboek. Dat geluid klonk al gauw vertrouwd in mijn oren.HHH Ik miste het toen ze met een nieuw schrift begon.

Ik neem het laatste dagboek van het schap. Uit vrees door Einar te worden betrapt, draai ik me om. Het licht op de overloop is uit. Ik sla het dagboek op de eerste ongelijnde bladzijde open. Rechts bovenaan heeft Kristín haar naam geschreven. Op de eerste gelijnde pagina staat geen woord of datum. Ook de rest van het schrift is blanco.
Ze wist al vóór de diagnose dat er iets destructiefs in haar lichaam zat. Zodra ze merkte dat ze meer vergat dan vroeger, liet ze zich onderzoeken. Ik vond dat ze overdreef. Een naam of een plaats vergeten, was op haar leeftijd normaal. In afwachting van de resultaten leende ze in de bibliotheek alles wat ze over dementie kon vinden. Een paar dagen later stond ze onverwacht voor mijn deur.
‘Waar is Einar?’ vroeg ik.
‘Thuis,’ zei ze.
Ze vroeg of ze die avond bij mij mocht blijven slapen.

‘Ik zit in het begin,’ zei ze.
‘Maar hoe weet je dat?’ vroeg ik.
Ze nam een slok van haar kop koffie en zweeg.
‘Je wacht nog op de resultaten van de dokter,’ zei ik.
‘Ik zal …’ zei ze. ‘Nee, ik moet het tot op het einde volhouden. Er zit niets anders op.’
Ze leek haar ziekte als een juweel te willen dragen. Het klonk als een misplaatste vorm van trots in mijn oren. Trots was het laatste waar ze zich aan zou kunnen optrekken.
De volgende ochtend keerde ze terug naar huis. Daarna heb ik haar stem nooit meer gehoord. Ze stopte met spreken. Sindsdien loopt alle communicatie via Einar. Tot vandaag gist hij naar wat ze wil zeggen. De huisarts kon door haar stilzwijgen haar gezondheidstoestand moeilijk inschatten. In het begin zag ik aan haar ogen dat ze zeer goed wist wat er om haar heen gebeurde. Naarmate de jaren verstreken, verloor ze die alerte blik. Niemand weet precies wanneer de taal haar echt in de steek heeft gelaten.

In haar dagboeken registreerde Kristín een tijd die langzaam uit haar verdwijnt. Hoe minder ze weet, hoe spottender de ruggen zich op het schap manifesteren. Haar woorden en zinnen zijn ijdel. De enige die ze zin kan geven, is zijzelf.

Ik zou haar passages kunnen voorlezen, maar ze begrijpt de woorden niet meer. Ik zou de volumes zelf kunnen lezen, maar dat wil ik niet. Kon ik maar met haar praten zoals vroeger. Het maakt me niet uit wat ze nog weet. De rest verzinnen we samen.

dinsdag 12 juni 2018

Kortverhaal: Lavaland (deel 1)

Lavaland
Foto: Jeremy Bishop
‘Een kop koffie,’ zeg ik, ‘zonder melk of suiker.’ De ober kijkt me aan alsof hij verwacht dat ik nog wat extra zal bestellen. Ik schud mijn hoofd. Ik zou hem veel liever iets willen geven: mijn hersenen. Neem ze maar mee, denk ik, en gooi ze in een ijsemmer. Vervolgens openen we het schuifraam en legen we de emmer in de Tjörnin. Ik wil zien hoe mijn brein het wateroppervlak breekt.
Als de ober straks bij het serveren van de koffie zegt: mevrouw, u sterft niet vandaag, en ook niet morgen, u komt er weer bovenop. Dan zou ik hem wel geloven.
Leken de dokters van Reykjavík maar meer op hem. Waarom oogden ze niet zo zacht en ongeschonden? Waarom geloofden ze niet dat ik mijn lichaam beter ken dan de onzin die ze uit hun onderzoeken halen? Dokters praten en patiënten moeten luisteren. Ik heb de hele dag geluisterd en heb het voorschrift voor het antidepressivum aangenomen. Ik heb geknikt bij het advies van de neuroloog om te praten met een psycholoog. Volgens hem is er geen sprake van dementie. Ik heb enkel last van neerslachtige episodes. Zijn woorden, niet de mijne. Zijn conclusie kan me geen barst schelen. Hij weet niet hoe het voelt om te ontwaken in je huis en je slaapkamer niet meteen te herkennen. Hij kan zich met zijn onfeilbare brein niet voorstellen hoe het voelt om de sleutel van je voordeur niet meer te vinden en het raam te moeten breken om binnen te raken. Hij weet niet hoe het voelt om met een drukkend, bijna verlammend gevoel in je buik op zoek te gaan naar de wc. Je trekt alle deuren open, maar vindt de juiste kamer niet.

De oudere dame twee tafeltjes verderop knikt me toe. Ze denkt dat we gelijkgestemden zijn, dat we allebei urenlang koffie kunnen drinken en naar de aan en af vliegende vogels op de Tjörnin kunnen kijken. Ze denkt dat onze buiken tegelijkertijd kriebelen als een vliegtuig laag over het meer vliegt, om even later te landen op de luchthaven van Reykjavík.
Heb je die vogel daar gezien, zal ze vragen. Omdat het leuk is bij de koffie een gesprek aan te knopen. Ze vraagt ook of ik de eend kopje onder zag gaan. Ik knik.
Een plekje als dit bestond niet toen ik jong was, zal ik zeggen, anders had ik hier veel gezeten. Een leugen om de sfeer niet te bederven. Om buitenshuis koffie te drinken, had ik toen geen geld.
Om het gesprek niet te laten stilvallen, laat ze me foto’s van haar kinderen en kleinkinderen zien. Ze wil weten hoeveel ik er heb.
Ik heb een dochter, zeg ik. Ik moet haar bellen om te vertellen wat ze allang vermoedt. Dat mijn kop vol gaten zit. Alleen de dokters geloven me niet.

‘Hulda?’ Einars stem krast in mijn mobiele telefoon. ‘Kom je eten? Kristín zit al aan tafel.’
De dame is verdwenen. Haar lege stoel staart me verwijtend aan.
‘Het is zes uur,’ zegt hij. ‘Waar ben je?’
De ober zet de stoelen op de tafels. Ik wenk hem en wijs naar mijn handtas. Eindelijk, zie ik hem denken.
‘Hulda? Ben je daar? Hallo?’
‘Ik ben hier,’ zeg ik. ‘Ik ben de tijd uit het oog verloren.’
Mijn koffie is koud geworden.
‘Je zus wil regelmaat,’ zegt Einar. ‘Kom zo snel mogelijk eten.’ Hij gooit de telefoon dicht.
‘Het uitzicht op de Tjörnin is schitterend,’ zeg ik tegen de dode lijn. ‘De lucht is helder als glas. Het wordt eindelijk zomer.’

*

Ik druk op de bel en het vertrouwde gerinkel weerklinkt in de gang. De namen van Einar en Kristín op het smalle strookje papier onder de drukknop zijn vervaagd. Ik zet een stap achteruit en bekijk het huis. De deur blijft gesloten.
Ik bel een tweede keer aan. De deur wordt traag tot op een kier geopend. Een hand klemt zich aan de zijkant vast. Hij of zij maakt geen aanstalten me binnen te laten. Mijn adem stokt en het schaamrood vlamt op mijn wangen. Ik heb me vergist, ik sta voor het verkeerde huis. Ik ben betrapt door een vreemde die me de schaamte wil besparen door zijn gezicht niet te laten zien. Bel alsjeblieft de politie niet, wil ik tegen de hand zeggen. Ik verdwijn geruisloos uit uw leven, maar wijs me alsjeblieft de weg naar het huis van mijn familie. Ze wonen in de buurt. Ik ken hun adres. Ik ken hun namen.
Een tweede hand, met bredere vingers en een behaarde rug, doet de deur verder open. ‘Kom hier,’ hoor ik Einar zeggen. Hij zet een stap opzij om me binnen te laten. Kristín staat naast hem.
‘Ik moest naar de wc,’ zegt hij. ‘Ze heeft in geen maanden op de deurbel gereageerd.’ Vroeger nam hij me apart om zulke zaken te vertellen. Sinds kort praten we over mijn zus in haar bijzijn. Volgens hem maakt het niets uit. Haar vermogen om woorden en zinnen te begrijpen is gelijk aan dat van een kleuter.
‘Kom binnen,’ zegt hij. ‘Straks vat Kristín kou.’

Hij haakt zijn vrije arm in de mijne en trekt me over de drempel. Ik hoef zijn betutteling niet. Een klap kan hij van me krijgen. Ik heb zonder hulp de weg hiernaartoe gevonden. Dat laatste stukje was me ook zonder hem gelukt. Ik duw zijn hand weg. Hij kijkt me aan alsof hij me per ongeluk naakt in de badkamer heeft betrapt. Kristín hangt afwezig aan zijn arm.

dinsdag 13 februari 2018

Herinner je (5)

Herinner je
Donderdag 31 oktober 1996, 15:11u, Groot-Brittannië
Aan het zebrapad wacht je met je ouders om over te steken. De regen valt met bakken uit de lucht. Het verkeer zit muurvast. Centimeters scheiden bumpers van elkaar. Een gezin in de auto staat voor het rode licht. Ze zijn te laat – 'we are late,' hoor je de vader schreeuwen en hij klopt met een vuist op het stuur. De ruitenwissers zwiepen heen en weer. Het licht springt op groen, maar het verkeer komt geen meter vooruit.

Je tikt met je vinger tegen het raam van de bestuurder. De vader van het gezin weigert het naar beneden te draaien en kijkt je misnoegd aan. Het licht springt voor hem alweer op groen en de auto voor de zijne schuift enkele centimeters op. Hij duwt het gaspedaal in, maar jij legt je handen op het dak. De auto blijft ter plekke staan en de wielen draaien alsmaar driftiger in het rond. De banden beginnen te roken. Het kruispunt ruikt naar rubber. De vader vloekt, de moeder schreeuwt, de kinderen beginnen te huilen. Het gezin ontsnapt via de kofferbak. Je verkreukelt de auto als een blad papier in je handen. De prop past in de zak van je jas.

Je draait je om en roept naar je vader: ‘Heb je dat goed in beeld gekregen?’ Hij staat met zijn rug naar je toe en kijkt naar de etalage van een souvenirwinkel. Je moeder roept iets, maar door het drukke verkeer kun je haar niet goed horen. Je vader kijkt nog steeds naar de etalage van een souvenirwinkel.

Meer lezen? Klik hier.

donderdag 8 februari 2018

Herinner je (4)

Herinner je
Maandag 26 oktober 1996, 8:23u, België
Je trekt een voelspriet uit het kopje van de vlinder, een vleugel uit het lijfje. De poten spartelen als een gek. Je legt hem op het terras en haalt een vergrootglas uit je broekzak. Je bundelt de stralen van de zon in het glas en richt het brandpunt op de vlinder. Hij probeert weg te vliegen, maar komt amper vooruit. Hij lijkt op een klapperend pannenkoekje. Uit het lijfje stijgt een rookpluim op. Of is het een vlag van ik geef me over – even wit als de uitgetrokken vleugel die je moeder later die dag op het terras vindt en verwart met een rozenblad.

Je verdraagt niet nog een dag op het veld met je vader. Het tellen van hoeveel centimeters gegroeid. Maïs groeit volgens jou alleen als niemand kijkt of meet. Je vader denkt daar anders over. Hij dwingt je steeds dieper in het veld en je denkt: dit kan niet blijven duren, op een dag raak ik hier nooit meer uit. In het midden van het veld dacht je ooit het geluid van troost te horen, maar nu stel je die interpretatie bij: wat je hoort is het geluid van onverschilligheid. De kolven harden onder de zon.

Meer lezen? Klik hier.

dinsdag 6 februari 2018

Herinner je (3)

Woensdag 6 november 1996, 13:38u, België
Je legt je aantekeningen op de tafel naast de pas ontwikkelde foto’s van Londen. Op de achterkant van de plaatjes schrijf je datum, uur en plaats. Van de laatste dag ontbreekt elk spoor. Je plakt de negatieven op het keukenraam, maar ook daarop kun je geen herinnering vinden. Je begrijpt het niet. Je moeder had die dag onvergetelijk genoemd. In Battersea Park gaf je een eekhoorn te eten en niet veel later duwde je Big Ben bijna omver. Je vader zei: ‘Ik heb het net goed in beeld gekregen.’

Je haalt de fotoalbums van je ouders uit de kast. Vanaf de jaren tachtig kom je zelf op de plaatjes voor, steevast tussen je vader en moeder in geklemd. De meeste beelden zeggen je weinig. In het beste geval kun je je nog enkele seconden voor de geest halen, een geur, een smaak, een aanraking. De beelden laten er geen twijfel over bestaan. Je was er overal bij, en hoe: je lacht breed, keer op keer. Bovenaan elke bladzijde: datum, uur en plaats.

Je moeder komt thuis van het werk en begint te koken. Je vader keert terug van het veld en trekt zijn laarzen uit. Tijdens het avondeten vraag je hen waar de foto’s zijn gebleven. Ze antwoorden tegelijkertijd: ‘Alle plaatjes van de laatste dag zijn mislukt.’ 

Meer lezen? Klik hier.

donderdag 1 februari 2018

Herinner je (2)

Herinner je
Maandag 26 oktober 1996, 8:07u, België
Je wordt door zweet gewekt en denkt: dit kan niet blijven duren. Zelfs het ontbijt valt in herhaling: geroosterd brood en aardbeienjam. Welke dag is het vandaag? Je durft het je moeder niet te vragen, behalve: ‘Mag ik van tafel gaan?’ Ze zegt dat het voor één keer kan, vraagt of je je wel lekker voelt, vraagt of ze een appel voor je schillen moet. Je krijgt het antwoord amper over je lippen. Ze zegt: ‘Je vader verwacht je over een uur op het veld.’

In de tuin probeer je met een tomaat te spreken. Ze houdt haar onrijpe lippen op elkaar. Je vraagt de witte roos hoe het met haar gaat. Plots krult ze haar blaadjes naar binnen. Ligt het aan de wind? Het bladerdek van de appelboom ruist niet. Misschien kun je aan je vinger likken? Nee, dat durf je niet. Ondertussen heeft een spin een web tussen je duim en je pink gesponnen. Een vlinder landt op de rug van je hand.

Meer lezen? Klik hier.

dinsdag 30 januari 2018

Herinner je (1)

Herinner je
Dinsdag 29 oktober 1996, 8:49u, Groot-Brittannië
Je ligt op een bed van een hotelkamer in Camden. Het raam kijkt uit op een blinde muur. De televisie speelt dag en nacht. Je moeder spuit lak op haar haren. Je vader test een wegwerpcamera. Het hotel davert als de metro de halte King’s Cross nadert. Je ligt languit op de matras en voelt hoe het trillen begint. Je neemt je dagboek uit je rugzak en probeert het gevoel te omschrijven. Op het blad verschijnt enkel een schokkerige lijn. Je verkreukelt het papier en gooit de prop uit het raam.

Je werkt met je ouders een lijst met bezienswaardigheden af, beginnend bij de letter a. Twee dagen later lig je uitgeteld op de bank in de lobby. Je bent slechts één letter in het alfabet gevorderd. Met de kap van een jas over je ogen heb je Londen gezien. Wanneer je ouders tegen de receptioniste over de televisie op de kamer klagen, antwoordt ze: 'Did you know that we have to replace our television sets every year?'

Meer lezen? Klik hier. 

maandag 13 maart 2017

De zin van je Leven

De zin van je Leven

De zin van je Leven, een wedstrijd van Creatief Schrijven, daagde schrijvers uit om de beste zin te delen die ze ooit hebben geschreven. Uit alle inzendingen selecteerde een vakjury bestaande uit Tom De Cock, Gerda Dendooven en Stijn Vranken tien zinnen. Het goede nieuws is: mijn zin is erbij! De zin luidt:

DE SLECHTSTE SMOES IS OPRUIMEN - ER IS ALTIJD IETS OM OP TE RUIMEN. 

En dan is het nu aan jou om voor de beste zin te stemmen. Stemmen doe je HIER. Kies voor mij, je zult het je niet beklagen! ik ben u eeuwig + 1 dankbaar.

De winnaar wordt bekendgemaakt op de Schrijfdag 2017. Verder gebeurt er ook nog iets met die tien zinnen op een levend model (bodypainting enzo) en voor een camera (filmpjes enzo). Online bewijsmateriaal zal op dit blog ogenblikkelijk worden gedeeld.

Collega-blogger LL Rigby haalde ook de laatste tien. Klapzoenen en proficiats!

ps: Loop warm voor de Schrijfdag 2017 door mijn kortverhaal Vissen redden te lezen, daaruit heb ik de zin van mijn Leven geplukt.

vrijdag 3 februari 2017

Harder

Illustratie: Eva Vaes
harder

god schrijft een zin op het bord en veegt hem weg
het woord verdwijnt onder het stof
op het examen hoesten wij het juiste antwoord op

god legt onze lichamen in het gips
wij gaan op een standbeeld gelijken
als kunstwerk worden wij in het museum bijgezet

achter het glas zegt bezoeker a tegen b
die beelden lijken op een cijfer
een nul zegt a en b zegt een tien

zondag 18 december 2016

Erika's oplossing

Ylja Band
© Ylja Band

Erika draait de kraan dicht. Uit de douchekop vallen nog enkele druppels. De stoomwolk in de cabine beneemt haar de adem. Ze moet enkel de glazen deur openduwen om zichzelf van dat verstikkende gevoel te verlossen, maar Erika wacht. Ze wacht tot de wolk een mistbank is geworden die niet hoger dan haar enkels reikt. Pas daarna stapt ze uit de cabine en dept haar lichaam droog. In het midden van haar handdoek zit een rood vlekje. Voor de spiegel tast ze haar lichaam af. Ze zoekt het bloed. Het druppelt uit haar wijsvinger, uit een sneetje in haar vingertop. Gedurende één, twee minuten drukt ze er een washandje tegen, dan haalt ze het weg. Vrijwel meteen blinkt een vers rood lijntje in het vlees.
  ‘Erika,’ roept Max. Een tweede keer. En nog eens. Ze reageert niet. Hij draait zijn hoofd om de badkamerdeur. ‘We zijn te laat,’ zegt hij. ‘We zijn weeral te laat.’

Twee weken eerder zat Erika op exact dezelfde plek, in de driezitbank in de woonkamer van haar schoonouders, toen vierden ze de verjaardag van de broer van Max. Vandaag is er geen speciale reden voor hun bezoek. Het is zondag. Meer redenen heeft haar schoonfamilie niet nodig om zich van drie tot zes rond een tafel met koffie en gebak te scharen.
  Wat heb ik met die hele zooi te maken, vraagt Erika zich af. Max begrijpt niet dat ze soms alleen thuis wil zijn, dat ze op haar eigen bank wil zitten met een glas wijn. Geluk is voor haar een huis zonder mensen. Een opmerking waarop hij steevast reageert met: ‘Zie je mij nog graag?’
  Er moet iets gebeuren, denkt ze, het maakt niet uit wat. Iets dat de sleur doorbreekt: de salontafel die vlam vat of een luster die naar beneden dondert. Gewoon iets. Uit pure verveling kieperde ze ooit een bodempje koffie in de bloempot van de ficus. Zomaar, zonder reden. Het zoontje van haar schoonbroer had haar in de smiezen en zette het op een huilen toen ze haar kopje omdraaide. Ze prees zichzelf gelukkig dat zijn articulatievermogen te weinig was ontwikkeld om woorden als koffie of bloempot uit te spreken.

‘Slaapwel,’ zegt Max. 
  ‘Zoiets,’ zegt Erika.
  Hij legt zijn hand op haar buik en likt haar plagend achter het oor.
  ‘Hé nou.’ Ze wil hem van zich afduwen, maar hij is te sterk en drukt zich tegen haar aan. Zijn harde geslacht klopt op haar onderrug. ‘Ik ben moe,’ zegt ze.
  ‘Raad eens wat ik voor je verjaardag heb gekocht,’ zegt hij.
  Ze kent dit gesprek. Zelfs al geeft ze het juiste antwoord, dan nog zal hij het ontkennen. Stiekem hoopt ze dat hij een cadeaubon van haar favoriete zaak in de stad heeft gekocht. Het zou haar goed uitkomen, de douchegel is bijna op, maar ze weet dat hij geen euro aan dat soort dingen besteedt. Ze ontspant haar lichaam en doet alsof ze langzaam in slaap valt. Max wordt zacht, laat haar los en draait zich om. Zijn ademhaling vertraagt en hij begint te snurken. Erika maalt over de nakende winter. Een seizoen waarin de familie van Max haar agenda inpalmt. Aardig zijn, het lukt haar de laatste tijd steeds minder goed. Ze dacht dat het zoiets was als fietsen: eens je het onder de knie hebt, vergeet je nooit meer hoe het moet. De rode digits van de klokradio gloeien in het donker. Over minder dan drie uren moet ze opstaan.

Erika loopt door een verlaten straat. De voetpaden, huizen en het asfalt lijken uit snoepgoed opgetrokken. Ze likt aan een felrode stoeprand, verwacht de smaak van aardbei of framboos, maar proeft in plaats daarvan zeep. Een teil met water valt uit de lucht. Ze draait haar tong los, spoelt de rode spiermassa uit en steekt ze terug in haar mond. Ze wrikt een tegel van het voetpad los, zet haar lippen aan een van de hoeken en blaast. De tegel zwelt op tot een rood-wit gestreepte ballon. 
  Een bieptoon wurmt zich in haar oor. Ze spert haar ogen open. Op haar netvlies brandt het laatste beeld van haar droom: tientallen ballonnen stijgen op naar een blauwe hemel. Max buigt over haar heen en trekt de klokradio uit het contact. Hij legt zich terug neer en snurkt verder. De kamer is ijskoud. Erika weet dat ze op moet staan, anders dommelt ze weer weg. Ze rolt uit het bed, slaat haar armen om zich heen en loopt naar de badkamer. Ze zet de verwarming op de maximumstand en laat het bad vollopen. Het badschuim kleurt het water paars en verspreidt een geur van lavendel. Ze gooit haar pyjama uit en stapt in de kuip. Die ochtend blijkt ze immuun voor het verkwikkend effect dat het etiket op de flacon haar belooft. Door de overvloed aan schuim lijkt het alsof haar lichaam vanaf haar middenrif is verdwenen. Tot twee keer toe trekt ze een been uit het water en kronkelt met haar tenen.
  Om acht uur hoort ze de wekker van Max aflopen. Nog geen minuut later poetst hij zijn tanden in de badkamer. Ik moet uit het bad komen, denkt Erika. Het water is afgekoeld en de huid van haar vingertoppen is gerimpeld. Ze wil samen met hem de deur uit gaan en de metro naar het werk nemen.

De voordeur valt in het slot. Is hij al weg, vraagt Erika zich af. Net hoorde ze hem nog cornflakes in een kom gieten. Ze stapt uit de kuip, slaat een badmantel om haar lichaam en gaat naar beneden. De keukenklok staat op half negen. Ze raakt nooit meer op tijd op het werk. Voor haar part ontploft de boel daar vandaag. Ze nestelt zich met een kop koffie en een tijdschrift in bed en belt naar de personeelsdienst om een dag vakantie te vragen. Een kwartier later wordt de goedkeuring via sms bevestigd. Ze kruipt onder de lakens en valt meteen in slaap.

De metro dendert het station binnen en komt tot stilstand. De deuren schuiven open en laten enkele passagiers los. De zuigkracht die de deuropening tijdens de spits op Erika uitoefent, laat zich op dit uur van dag niet gelden. Ze kan instappen of wachten op de volgende. Op het perron weerklinkt een gepiep dat het vertrek aankondigt. Ze springt aan boord, hoort achter zich de rubberen banden van de deuren tegen elkaar klappen en zet zich op een van de banken neer. De metro trekt zich opnieuw op gang. Het raam duwt het helverlichte perron uit beeld en verandert in een zwarte spiegel. Hij weerspiegelt Erika’s gezicht en bovenlichaam. Ze zou kunnen opstaan en in het gangpad dansen als een gek. Haar spiegelbeeld zou geduldig op haar wachten en pas durven te bewegen als ze terug in dezelfde positie aan het raam gaat zitten. Ze laat een vinger over haar kaaklijn lopen en knippert een paar keer met haar ogen. Ze schrikt wanneer haar evenbeeld in het niets oplost. De metro is een volgend helverlicht station binnengereden. Ze kijkt uit het raam en leest de grote blauwe letters op de lichtbak. De letters vormen de naam van haar bestemming. Ze grist haar handtas van de bank en haalt net voor ze uitstapt haar gsm tevoorschijn om te kijken hoe laat het is. Het toestel glipt uit haar hand en valt tussen het perron en het metrostel in. Haar gsm landt tussen de donkere keien van het spoor. Het schermpje licht nog enkele seconden op en valt dan uit.

‘Zwanger?’ vraagt Erika, ‘Maar hoe dan?’ Ze wil de vermoeidheid terug in haar ooghoeken duwen. Haar vingers worden nat.
 ‘U was niet van plan zwanger te worden?’ De dokter haalt een doos met zakdoekjes uit de schuif van zijn bureau.
  Zwanger? Zij? No way. Ze is gewoon moe, meer is er niet aan de hand.
  ‘Ik wil geen kind, ik wil een slaappil.’
  ‘Neem uw tijd om aan het idee te wennen. Praat erover met uw echtgenoot.’

De prikklok geeft zes minuten over negen aan. Erika haalt haar schouders op en houdt haar badge voor de klok. Ze gaat aan haar bureau zitten en zet de computer aan. Haar blik dwaalt af naar de orchidee naast het scherm, een cadeau dat ze vorig jaar voor haar verjaardag van de collega’s heeft gekregen. Het lukt haar niet de plant opnieuw te doen bloeien. Ze pakt een schaar en kortwiekt de takken en bladeren tot een stomp. Met een oorverdovend geluid valt de bloempot aan stukken op de grond. Erika wil de grootste scherven verzamelen, maar snijdt zich aan een van de scherpe randen. Het bloed welt op in haar handpalm.
  ‘Ik ga om een vuilblik en een pleister,’ zegt ze, terwijl ze zich tussen de lichamen wurmt die zich rond haar bureau hebben verzameld. Ze loopt voorbij het lokaal met materiaal van de onderhoudsploeg en de receptie waar de verbanddoos ligt. Onderweg veegt ze met haar arm alles wat op de balie ligt op de grond. Een briefopener valt met de punt naar beneden en boort zich in haar enkel. Met haar badge ontgrendelt ze de deur die toegang geeft tot de kantoren van de directie. Ze duwt de koffieautomaat omver en geeft een trap tegen de watertank. De ceo en de personeelsdirecteur lopen op haar toe. Ze rukt een brochurehouder van de muur. De standaard vliegt door de gang en treft de ceo. De personeelsdirecteur duikt naar haar voeten en trekt de briefopener uit haar enkel. Het bloed spuit naar buiten.  
  ‘Kijk nu wat u hebt gedaan!’ zegt ze. Ze plant de naald van haar hak in zijn gezicht. De man schreeuwt het uit en grijpt naar zijn neus.
  Iemand legt een hand op haar schouder en schudt haar door elkaar. Ze draait zich om en ziet dat de gang achter zich in een zwart gat is veranderd. In het midden ontwaart ze een mond. Hij spreekt haar naam uit. Een tweede keer. En nog eens. Het zwart zuigt alles naar zich toe: de koffieautomaat, de watertank, een bureau, een stoel. Het gat krijgt ogen, oren, een neus en haren. De brochurehouder en de ceo verdwijnen in het voorhoofd. De personeelsdirecteur wappert als een vlag aan de briefopener die hij in de muur heeft geplant. Tevergeefs grijpt Erika naar zijn voeten. Ze wordt uit haar stiletto’s gezogen, van de grond opgetild en door het gat opgeslokt.
  ‘Erika?’ vraagt Max.
  Ze opent loom haar ogen.
  ‘Hoe gaat het? Voel je je beter? Wat heeft hij gezegd?’
  Ze richt zich op in bed.
  ‘Erika, wat heeft de dokter gezegd?’
  ‘Hoe laat is het?’
  ‘Dat doet er toch niet toe. Zeg me hoe het met je gaat.’
  Ze kijkt hem verdwaasd aan.
  ‘Erika, kom op nou. Wat scheelt er? Ben je ziek? Zeg me dat je naar de dokter bent geweest.’
  ‘Hij denkt dat ik zwanger ben.’ Ze sluit haar ogen. Hij neemt haar in zijn armen en zoent haar op de plekken waar zijn lippen het eerst landen.
  ‘Ik ben niet zwanger,’ zegt ze, luider dan ze wilde. Zijn grip verslapt. Ze opent haar ogen en kaatst zijn verwarde blik terug. ‘Ik ben niet misselijk van een kind. Ik ben gewoon moe. Als ik ’s morgens wakker word, wil ik terug gaan slapen. Begrijp je dat? Ik ben altijd moe. Altijd.’
  Hij wil haar opnieuw vastpakken, maar ze duwt hem weg. Zijn armen glijden van haar af. Zijn lichaam rolt naar de andere kant van het bed. Hij kijkt een tijdje naar het plafond, wil dan een hand op haar buik, haar heup, haar dijbeen leggen, maar bedenkt zich na een poging die halfweg zijn en haar kant van het bed eindigt. 

De rug van een wijsvinger klopt op de deur – eerst hard, dan zacht. Knokkels kloppen – zachter, bijna onhoorbaar. Max vraagt hoe ze zich voelt, of het al beter gaat, of ze honger heeft, of ze wil opendoen. Hij vertrekt zo meteen naar zijn ouders en vraagt of ze mee wil gaan.
  Ze staart naar de zwarte display van haar klokradio. Het contactsnoer ligt om het toestel gekruld. Ze zit op de rand van het bed en wacht. Buiten rijdt Max met de auto de oprit af. Hij draait met een schurend geluid de banden naar rechts en geeft gas. Ze veert recht, haalt de stoel onder de klink uit, gooit de deur open en holt naar de wc.

De telefoon rinkelt. Een tweede keer. En nog eens. Neem dan toch op, denkt Erika, maar het gerinkel houdt aan. Ze tast naar haar gsm op het nachtkastje, maar in plaats van iets hards en hoekigs voelt ze iets vloeibaars. Haar hand hangt in een kom soep. Ze moet in slaap zijn gevallen toen ze zich terug in het bed installeerde om te eten. De telefoon blijft rinkelen. Het geluid komt van beneden. Ze staat op en gaat de trap af. In de woonkamer licht het schermpje van de vaste telefoon op. Nog verdwaasd door de slaap, drukt ze onmiddellijk op het groene telefoontje. ‘Ik word oma!’ zegt haar schoonmoeder.
   Erika voelt alleen haar gezicht. Wanneer ze over haar kaak wrijft, schiet er een pijnscheut door haar lichaam. Haar vingertoppen zitten onder een bruine smurrie. Ze herinnert zich het gezichtsmasker van chocolade en chili dat ze in de koelkast had gevonden. Volgens de keukenklok heeft het meer dan een uur op haar gezicht gelegen. Ze laat de telefoon vallen en loopt naar de badkamer. Het washandje is als een vlam. Haar huid smelt bij elke aanraking. Wanneer het haar eindelijk is gelukt het masker af te wassen, ziet ze in de spiegel een rood aangelopen gezicht, opgezwollen ogen en haren die tegen haar voorhoofd en wangen plakken. Ze plant een vuist in het midden van haar evenbeeld. Het glas breekt en valt in scherven in de lavabo. De rug van haar hand bloedt. Ze trekt de kastdeuren open, gooit alle verzorgingsproducten in het bad en draait de kraan open. Het water schuimt als gek. Ze grist een bol staalwol uit de kast met poetsmateriaal en stapt in het bad. Telkens wanneer een zeepbel tegen haar gezicht uit elkaar spat, springen de tranen in haar ogen. Ze wrijft met een stuk zeep over de staalwol en trekt haar been uit het water. Ze schuurt ermee over haar voet en bekijkt het resultaat. Prima, denkt ze, al twee van mijn vijf tenen zijn verdwenen.

  Max neemt met gierende banden de laatste bocht en laat de auto in het midden van de straat achter. De geur in de inkomhal doet hem kokhalzen. Hij houdt een zakdoek voor zijn neus en mond en roept: ‘Erika!’ Hij neemt de trap naar boven en loopt naar de badkamer. De spiegel is gebroken, de kastdeuren hangen uit hun hengsels, het water stroomt over de badrand en het schuim reikt tot aan het plafond. Hij steekt zijn armen in het water en vist half verteerde bruisballen en stukken zeep uit de kuip. Hij duwt zijn hoofd in het bad en ziet een hand – haar hand, hun trouwring. Hij wil haar uit het water trekken, maar voelt tegen zijn verwachting in geen weerstand. Hij valt achterover en landt hard op zijn rug op de grond. Haar hand, maar ook niet meer dan dat, ligt op zijn buik. Een vuist, bloedeloos en netjes gewassen. Tussen de vingers een web van staalwol.