Posts tonen met het label Stil de tijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stil de tijd. Alle posts tonen

zondag 27 december 2015

Eindejaarsvragen 2015

Boom

1. Wat was het beste boek van 2015?
Ik koop zelden boeken tijdens het eerste publicatiejaar. Ik ga dus voor enkele 'oudjes' zoals Open stad (over wandelen, steden en wandelen in steden) van Teju Cole, Een makelaar in Pruisen (over kijken, kunst en kijken naar kunst) van Nicole Montagne, Wanderlust (over wandelen en verdwalen en wandelend verdwalen) en The Faraway Nearby (over het vertellen, verweven en ontrafelen van verhalen) van Rebecca Solnit.

De recentste poëziebundels van Maud Vanhauwaert en Y. Né gaven me vleugels. Wij zijn evenwijdig en De werkelijkheid houdt het lang vol bewijzen dat bevlogen poëzie ontzettend grappig kan zijn.

2. Welk boek verdient in 2016 een tweede kans?
Alle boeken die ik heb gekocht en (nog) niet heb gelezen (te veel om neer te schrijven).
Alle boeken die ik niet heb gekocht en (nog) niet heb gelezen (idem).
Alle boeken die ik heb gelezen en ben vergeten (idem).
Alle boeken die ik heb gelezen en voor iemand anders heb achtergelaten of nog zal achterlaten (zie Boek gevonden).

3. Welk boek staat voor u bij uitstek voor het goede leven?
Stil de tijd, een essaybundel van Joke. J. Hermsen. Het boek verbreedde mijn blik op het begrip tijd. Hermsen formuleert haarscherp wat iedereen diep vanbinnen al wist, maar waartoe niemand tot dan toe in staat bleek om er een boek over te schrijven. Doorheen de essays stelt ze dat de omnipresente opgelegde kloktijd slechts een van de vele manieren is om tijd te beleven. Aan de hand van het werk van Levinas, Bergson, Sloterdijk, Bloch en Bachmann maakt ze de lezer warm voor een andere, innerlijke tijdsbeleving.

Lees ook:
Eindejaarsvragen 2014

woensdag 11 december 2013

Blog over Bloch (deel 1)

Een wereldkaart waarop het land Utopia ontbreekt, is de moeite van het bekijken niet waard 
(Oscar Wilde)

Ik was achttien jaar en wilde filosofie studeren.
'Waarom toch?' vroeg iedereen me.
Op de middelbare school had ik geen Grieks gevolgd. Mijn voorkennis beperkte zich tot een paar lessen geschiedenis en het lezen van De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, een roman waarin de Westerse en Oosterse filosofie op een verteerbare manier werden uitgelegd.

Ik dacht dat een studie wijsbegeerte zoals een lang, interessant boek zou zijn. Dat was ook zo, alleen bleek de stap van middelbare school naar universiteit te groot. Het jargon en de dikke cursussen waren te hoog gegrepen. Ik miste de maturiteit om kritiek te formuleren. Over bepaalde onderwerpen had ik amper nagedacht. Ze stonden te ver van mijn bed om een eigen denkproces op gang te trekken.

Sindsdien hield ik filosofie op een afstand. Hoorde ik de namen van Sartre, Kierkegaard of Descartes vallen, dan klonken ze zoals een echo's uit een aangenaam verleden. Het duurde meer dan tien jaar voor ik iets las waarin filosofie uitdrukkelijk aan bod kwam. In Stil de tijd bundelde Joke J. Hermsen enkele essays over onze tijdsbeleving. Ik raak maar niet over dat boek uitgepraat!

Het citaat van Oscar Wilde komt uit het essay over de Joods-Duitse filosoof Ernst Bloch. Hij is, samen met Henri Bergson, een van de weinige denkers die over een alternatieve tijdsbeleving heeft nagedacht vanuit een niet-religieus standpunt. Bloch maakte me warm voor het utopische denken. Tegenwoordig heeft het woord utopie een negatieve bijklank. We denken daarbij aan machthebbers en ideologieën die, in hun streven naar een utopie, misdaden tegen de menselijkheid pleegden.

Utopisch denken gaat voor Bloch hand in hand met een kritische ingesteldheid. Het stimuleert ons om alternatieven te bedenken voor zaken die fout lopen. De utopie herbergt de hoop op een andere, betere toekomst. Het drijft ons om ideeën aan acties te koppelen.

Ook kunstenaars zijn utopische denkers en zetten toeschouwers aan om kritisch naar de samenleving te kijken. Ze beeldhouwen, schilderen of schrijven een alternatief universum bij elkaar. De wereld die ze tonen, lijkt soms op de onze, maar soms ook helemaal niet. Toch is wat ze laten zien met beide voeten in de werkelijkheid geworteld. Kunst is echter meer dan een reproductie van die werkelijkheid. De maker selecteert; hij zet bepaalde dingen in de schijnwerpers en duwt andere in de coulissen. Hij stimuleert toeschouwers om op een andere manier te kijken naar het bekende en minder bekende.

'Alles wat is, is niet waar,' zegt Bloch. Een samenleving verandert voortdurend. Het kan altijd anders en beter. Het streven naar een utopie is oneindig. Alles wat is, is er dus nog niet helemaal. Het is een tussenstap naar een utopie die nooit wordt bereikt. 

Een mens zou er zowaar pessimistisch van worden. We lopen een leven lang achter die utopie aan. Falen we of scheppen we? Bloch vindt dat het ongerealiseerde en het ongearticuleerde ons maakt tot wie we zijn. Een mens is wat hem drijft. Een mens is wat hij schept.

Lees ook deel 2.

zondag 6 oktober 2013

De toekomst ligt achter ons (deel 1)

Deze week viel een brief van een vriendin in de bus. Twee bladzijden die ik wilde lezen en herlezen. Ze schreef over haar reis naar Italië van eerder dit jaar. In Bassano del Grappa, een stadje aan de voet van de Vicentijnse Vooralpen, liep ze over de Ponte degli Alpini. De geschiedenis van de houten brug over de Brenta-rivier begint al in 1209. Ze schrijft:
Er was iets met de atmosfeer, de geur van het hout, het kleurenspectrum in de lucht, in het water en in de heuvels rondom. Het gevoel zich ergens op een oude plek te bevinden, waar het engagement - de diepe verbondenheid - met het verleden nog pregnant aanwezig is. 
Op de brug kreeg ze een flashback naar Japan, een land waar ze rond haar vijfentwintigste een jaar lang woonde. Tot op vandaag beïnvloedt die periode het leven van mijn vriendin. De herinnering stond haar plots helder en scherp voor de ogen. Verleden en heden liepen over en door elkaar. Ze concludeerde dat de verwondering nooit ophoudt. Ze is een adolescente voor het leven.

Ik legde meteen een link naar een essay over de Griekse tijdsbeleving van Joke J. Hermsen. Vraag je een Westerling waar de toekomst ligt, dan zal hij naar een plek ergens voor zich uit wijzen. Het verleden ligt dan logischerwijs achter hem. Voor de Grieken is het juist andersom. De mens loopt zijn toekomst niet tegemoet. Hij is een ijkpunt waarlangs de toekomst zich openbaart, zich toont in het heden.

Mijn vriendin keek haar verleden recht in de ogen. Ze kreeg een oude ervaring opnieuw cadeau, terwijl ze van een nieuw Italiaans landschap genoot. Nog meer dan voordien kijkt ze sindsdien uit naar elke nieuwe ervaring, zelfs al heeft ze geen idee wat haar nog te wachten staat. De toekomst is een vraagteken.

De Grieken drinken koffie en wachten. Een gevolg van hun tijdsbeleving is immers dat ze geen invloed hebben op de toekomst. Wacht hen een tragedie, dan zullen ze die ondergaan. Hoe anders is onze verhouding tot fataliteit. Elke ramp of probleem wordt het hoofd geboden met een actieplan. Dankzij verdragen op papier geloven we dat een nieuwe tsunami of terroristische dreiging wordt afgewend. Ons geloof in geschreven letters is absurd. De geschiedenis herhaalt zich zelden op exact dezelfde manier.

Paul Frissen heeft aan ons onvermogen om met tragedie om te gaan een heel boek gewijd, De fatale staat. In zijn ideale wereld hebben wij Westerlingen nood aan een infuus met Grieks bloed. Zijn besluit is simpel: bestaat er geen oplossing voor een probleem, dan is het geen probleem.

Waarom hebben we het zo moeilijk ons bij tegenslag neer te leggen? Waarschijnlijk omdat we in een wereld leven waarin alleen succes is toegelaten. Wie faalt zegt dat liever niet hardop. Wie betrapt wordt op mislukking, wordt uitgesloten.

Opvallend is dat zowel schrijvers als lezers een voorkeur hebben voor mislukte hoofdpersonages. Hoe minder ze voldoen aan de standaarden van hun omgeving, des te interessanter vinden we hun fall of grace. Denk aan madame Bovary, Anna Karenina of Joseph K. . We willen over hun lotgevallen lezen,  zolang we zelf van een ongeluk worden gevrijwaard.

Er valt veel te zeggen voor die Griekse tijdsbeleving. Toch wil ik haar een Westers tintje geven. De toekomst mag dan een mysterie zijn, ik kan me wel verbeelden hoe ze eruit kan zien. Verbeelding staat buiten de tijd.

Als een god kan ik personages een verleden geven. Wat ze daarmee doen, is hun zaak. Ze vertonen verdacht veel gelijkenissen met mensen in het echte leven. Zodra een personage mijn verhaal binnenwandelt, laat ik het los. Doe ik dat niet, dan levert dat een geforceerd verhaal op. Een karakter moet op papier de ruimte krijgen om te evolueren. Pas dan schrijf je zinnen waarvan je nadien denkt: wat staat hier nu? Wat is hier gebeurd? Het personage heeft je pen overgenomen.

Lees ook deel 2.

zondag 15 september 2013

Een slenterapologeet in Wenen


Ik hou van wandelen, maar niet van alle soorten. In mijn jeugd kreeg ik een hekel aan zondagse wandelingen. Die tochten draaiden altijd op hetzelfde uit. Na urenlang stappen, keerden we ons halverwege om. Vervolgens stapten we in omgekeerde richting dezelfde weg terug. Ik en wandelen, het was geen liefde op het eerste gezicht. 

Ik beticht Joke J. Hermsen ervan een fan te zijn van die verschrikkelijke wandelingen uit mijn jeugd.  Op de laatste bladzijde van haar essaybundel Stil de tijd schrijft ze het volgende:  
Wachten, vervelen, luieren, mijmeren, nadenken en nietsdoen, zijn vormen van ontvankelijke passiviteit waarmee men in deze rusteloze, door economie opgedreven tijden misschien weinig applaus zal oogsten, maar die (...) noodzakelijk bleken voor de mens en voor de wereld om niet te verstarren en te verharden.
Ik verveelde mij liever thuis voor het raam. Wees gerust, mijn familie heeft mij op verschillende zondagen ook op de vensterbank laten zitten. In gedachten legde ik kilometers af, terwijl ik geen stap hoefde te zetten. Op latere leeftijd heb ik alsnog de charmes van een mooie wandeling leren appreciëren. Dankzij Ikea ontdekte ik de uitgestippelde lus. Die fameuze lussen bleken ook in natuurgebieden en steden te bestaan. Pas als ik een lijn, kleur of pijl kon volgen, gaf ik mij over aan slenteren en verdwalen. Ik heb zelfs een voorkeur voor lussen op onbekend terrein.  

Valeria Luiselli sluit zich in haar essaybundel Valse papieren aan bij het pleidooi van Hermsen. Ook zij wil de menselijke rat race vertragen.  Ze houdt van fietsen, maar kan ook genieten van een doelloze wandeling. Ze betreurt het dat zulke wandelaars tegenwoordig van onregelmatig gedrag worden beschuldigd:
De voetganger zal zich het ritme van de stad moeten aanmeten en blijk moeten geven van dezelfde eenduidige intentie als de andere voorbijgangers. Elke onregelmatigheid van zijn pas maakt hem het doelwit van verdachtmakingen. Wie te langzaam loopt zou wel eens een misdaad kunnen beramen, een toerist zijn of verdwaald zijn geraakt. 
In de slenteraar verstopt zich met andere woorden een rebel of een creatieveling die de anderen doet stilstaan bij hun gejaagde wandelpas. Het voetpad is de plek om geïnspireerd te raken. Bij die bewering kan ik mij volmondig aansluiten. Op reis mag ik dan geen letter schrijven, mijn zintuigen schakelen als vanzelf een versnelling hoger. 

Vorig weekend wandelde ik drie dagen rond in Wenen, de slagroomstad van Europa. Katy Perry had er haar videoclip voor California girls kunnen opnemen en Nigella Lawson zal er vast en zeker ooit een kookboek aan wijden. Wenen gebruikt niet alleen slagroom om borden met sachertorte te verfraaien, ze smeert er ook haar culturele erfgoed mee in. Zelfs Sissi, het gezicht waarmee de toeristische sector je om de oren slaat, was een wandelende dot slagroom met haren die als een waterval over haar schouders vielen (aldus een reclamebord onderweg naar Schönbrunn).

De goede raad van Hermsen en Luiselli indachtig, haalde ik in de Weense straten de slenteraar in mij naar boven. Zo'n houding moest wel inspiratie opleveren. Bijna per ongeluk botste ik op de Karlskirche. Ik drentelde rond het Karlzplats Pavillion, een voormalig tramstation ontworpen door Secession-architect Otto Wagner, en plots zag ik tussen twee boomkruinen een slagroomkerk blinken. Volgens de reisgids keek ik naar de meest barokke kerk van de Oostenrijkse hoofdstad. 

Voor de renovatie van de kerk installeerde men in het midden van het gebouw een lift. Niet alleen werklui mogen hiervan gebruik maken, ook bezoekers krijgen de kans om de koepelfresco van Johann Michael Rottmayr van dichtbij te bekijken. Rottmayr schilderde de voorspraak van Carolus Borromeus. In de zestiende eeuw stond deze heilige de pestlijders van zijn diocees Milaan bij. Tegen het advies van de autoriteiten in, vroeg hij priesters, nonnen en monniken om de stad gedurende de plaag niet te verlaten. Op de fresco wordt hij gesteund door de Heilige Maagd Maria. Daarnaast zijn ook de vier kardinale deugden afgebeeld. Engeltjes met vlezige kontjes zetten de finale toef slagroom op het meesterwerk. 

Natuurlijk was die koepel prachtig, maar toen ik in Brussel landde, dacht ik slechts aan één ding: die lift. In het midden van een achttiende-eeuwse kerk in Wenen stond een lift van glimmend, grijs metaal. Dat tuig zorgde ook voor werkgelegenheid. Het werd bediend door een meisje. Soms drukte ze op het pijltje naar boven, dan weer op het pijltje naar beneden. 

Terwijl mijn bagage van de band rolde, dacht ik: over dat meisje moet ik iets schrijven.

De clip van California girls vind je hier.
Een virtuele tour van (o.a. de koepel van) de Karlskirche vind je hier.

zondag 5 mei 2013

Plot (deel 2)

Deel 1 lees je hier.

Bart Van Lierde geeft in zijn snelcursus romanschrijven (gratis te downloaden op de site van Creatief Schrijven) een uiteenzetting over hoe je een plotgedreven boek schrijft. Hij ziet parallellen tussen de opbouw van een plotboek en een typische Hollywoodfilm. Zo'n film moet de aandacht van een toeschouwer vasthouden, zelfs al is het verhaal flauw en voorspelbaar. Van Lierde onderscheidt vier pieken: in het eerste en laatste kwart van de film, in het midden en op het einde. Bij elke piek wordt het hoofdpersonage geconfronteerd met een obstakel dat hij moet zien te overwinnen. Pas bij het laatste obstakel - de climax op het einde - wordt duidelijk of het hoofdpersonage het probleem oplost (simpel gezegd: wint 'de goeie' of 'de slechte'?).

De Hollywoodstructuur keert ook terug in boeken. Het is een onverwoestbare formule die haar succes bewijst met goede verkoopcijfers. Deze structuur geeft kijkers of lezers een aantal handvaten om het verhaal te kunnen volgen. Je kunt zo'n film of boek uitleggen in een paar regels. Meestal verwijs je dan naar de belangrijkste plotlijn (bijvoorbeeld Jan is verliefd op Ann, Ann wordt ten huwelijk gevraagd door Chris, Chris blijkt een slecht mens, Ann ziet dit tijdig in en trouwt op het einde alsnog met Jan).

Bij plotloze boeken is het minder eenvoudig om de inhoud kort samen te vatten. Hoe pak je dat aan wanneer je niet kunt vertellen over een plotlijn? Wanneer ik het zelf probeer uit te leggen, ben ik geneigd te vertellen over de sfeer en gevoelens die het verhaal bij mij hebben opgeroepen. Nog veel liever vertel ik helemaal niets en zeg: 'Lees het zelf eens.' Mijn beleving kan die van iemand anders besmetten. Het leukste is om met anderen over hetzelfde plotloze boek te discussiëren. Op die manier ontsluiten zich nieuwe invalshoeken. Die oefening of discussie (met anderen of met jezelf) wordt nooit voltooid. Het boek verandert omdat je ook als lezer en mens verandert. Een definitieve interpretatie is een illusie.

In deel 1 had ik het al over Virginia Woolf, maar zij is niet verantwoordelijk voor het enige plotloze boek in mijn kast. Ik zie ook Memoires van een luipaard van Peter Verhelst staan en Oceaan van een zee van Alessandro Barrico. Dit jaar leerde ik, via mijn docent voordracht, Combray van Marcel Proust kennen. De opbouw van deze drie boeken, kan niet worden geperst in de Hollywoodformule. Ze volgen hun eigen ritme en logica. Ze trekken zich niets aan van wat wij de tijd noemen (vierentwintig uren in een dag, zeven dagen in een week, etc). Hun proza ademt een eigen tijd, een innerlijke tijd.

Joke J. Hermsen, schrijfster en filosofe, zoomt in op het begrip innerlijk tijd in haar essaybundel Stil de tijd. Volgens haar hangt de kloktijd als een strop om de nek van de moderne mens. We worden overspoeld door uitvindingen die het leven eenvoudiger moeten maken zodat we meer tijd hebben voor wat we echt belangrijk vinden. Toch kampt menig mens met een groot onbehagen: we ervaren een chronisch gebrek aan tijd.

Hermsen legt het begrip innerlijk tijd naast de alomtegenwoordige kloktijd. De kloktijd werd in het leven geroepen om, over de landsgrenzen heen, praktische afspraken makkelijker te laten verlopen. Zo was er bijvoorbeeld nood aan een duidelijk manier om de aankomst- en vertrekuren voor de eerste treinen te regelen. Stap voor stap raakte de kloktijd met andere levensdomeinen verweven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een prikklok op de werkvloer. In onze huidige samenleving is een leven zonder klok ondenkbaar. Overal waar je kijkt, staat of hangt een uurwerk om ons met de neus op de tijd te drukken. De machtsverhouding tussen mens en klok is verschoven: de klok staat niet langer ten dienste van de mens, wij schikken ons naar de eisen van de grote en de kleine wijzer.

Laten we leuk zijn! Laten we druk bezig zijn! Dat is het credo van lifestylebladen. Taarten koop je niet meer bij de bakker, je bakt ze zelf. Een zondagmiddag luieren op het terras is ongehoord als je op dat moment ook een parachutesprong kunt maken. Het pleidooi van Hermsen contrasteert sterk met de druk-druk agenda die wordt verheerlijkt in de media. De Nederlandse filosofe ijvert voor verveling. Pas dan ontstaat creativiteit. Pas dan komen we in aanraking met onze innerlijke tijd.

Innerlijke tijd definiëren is aartsmoeilijk. Hij kan niet worden uitgedrukt in cijfers. Toch komt iedereen met zijn innerlijke tijdsbeleving in aanraking. Gisteren gaf mijn moeder nog een goed voorbeeld: deze week moest ze plots denken aan twee regels uit een gedicht van Paul Verlaine. Een aanleiding voor die herinnering kon ze niet vinden. In een flits zag ze zichzelf weer op de schoolbanken zitten tijdens de les waarin ze het gedicht uit het hoofd moest leren. Een gelijkaardig voorbeeld vind je in de madeleine-scène van Proust. De jeugd van de verteller is plots springlevend na het zien van een cakeje.

Hermsen beschouwt ieder mens als een rollende sneeuwbal die steeds dikker wordt. Een herinnering kleeft zich als een vlokje sneeuw aan ons vast. Af en toe rolt een 'vergeten' herinnering voor ons oog. We krijgen haar als het ware opnieuw cadeau. Het verleden ligt niet achter ons, maar is voortdurend bij ons. Het bepaalt wie we zijn en zullen worden. Een mens is tegelijkertijd heden, verleden en toekomst.

Plotloze boeken gaan niet Hollywoodgewijs van a naar b naar c.  Ze zijn a, b en c tegelijkertijd. Juist hierdoor onderscheiden ze zich van plotgedreven boeken. Een slechte thriller, waarin alles staat of valt met het vinden van de moordenaar, verliest zijn aantrekkingskracht eens het mysterie is ontsluierd. Schematisch uitgedrukt: eens je c (in deze: het einde van de thriller) kent, zul je a en b nooit meer lezen.  In die zin ontkennen slechte plotboeken het belang van het verleden.