en in zijn ogen welt zijn nood op, o, ik zou mijn kransslagaders
met zijn milt verbinden willen en hem taalloos willen tonen
dat ik trouw en zacht hem toe zal doen, dit lam in deze harde leegte.
Zin uit Het boek Hauser van Annemarie Estor en Lies Van Gasse.
Posts tonen met het label Annemarie Estor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Annemarie Estor. Alle posts tonen
zaterdag 1 maart 2014
zondag 1 december 2013
Paparazzi-feminisme (deel 2)
Deel 1 lees je hier.
Mannen en vrouwen zijn verschillend. We hebben een ander lichaam, een verschil dat we nooit zullen overbruggen. We kunnen ons enkel voorstellen hoe het is om de ander te zijn. Je komt aardig in de buurt met empathie en verbeeldingskracht. Verschillen in de manier waarop mannen en vrouwen omgaan met onderwerpen zoals liefde of dood zijn vaak niet te wijten aan het geslacht van een persoon, maar eerder aan diens achtergrond.
Onlangs merkte iemand in mijn omgeving op dat Arthur Japin heel goed weet wat er in het hoofd van een vrouw omgaat. De aanleiding was een fragment uit zijn kortverhalenbundel De klank van sneeuw. Japin beschrijft de gedachtegang van een oudere operazangeres. In de badkamerspiegels van een hotelkamer onderwerpt ze haar lichaam aan een vernietigend oordeel. Mannen schrijven geloofwaardig over vrouwen, en andersom. Daarenboven had de operazangeres evengoed een man kunnen zijn. We hebben allemaal, vroeger of later, te maken met onzekerheden over ons lichaam.
Als het over feminisme gaat, voeren de Vlaamse media graag schrijfster Saskia de Coster ten tonele. Deze zomer verscheen in De Morgen een dubbelinterview met haar en Griet op de Beeck, een andere schrijfster die in 2013 met de roman Vele hemels boven de zevende debuteerde. Op de Beeck uitte haar ongenoegen over een recensie van haar boek in De Standaard der Letteren:
In De Standaard is mijn boek afgekraakt als 'Flair-psychologie'. Dat is van een kleingeestig machismo dat je niet meer voor mogelijk houdt in deze tijd. Er bestaat niet eens een mannelijke pendant voor 'Flair-psychologie'.
Op de Beeck rukt een citaat uit de context van een genuanceerde recensie. Haar reactie is makkelijk, spijtig en naast de kwestie. Recensent Mark Cloostermans verdient het niet om in het hokje machismo te worden ondergebracht. Hij gebruikte inderdaad het woord Flair. Ik interpreteerde zijn verwijzing naar het blad als een synoniem voor een gebrek aan diepgang in Vele hemels boven de zevende en niet als een vrouwonvriendelijke opmerking.
Wat heeft Op de Beeck te winnen bij deze uitval? Haar boek is een succes en kreeg over het algemeen goede tot zeer goede commentaren (vijf sterren in De Volkskrant, vier op cultuurbewust.nl en drie in nrc). Wie een boek op de markt gooit, weet dat er negatieve reacties kunnen volgen. De kans dat Vele hemels boven de zevende aan de logica zou ontsnappen was klein. De roman werd met de nodige fanfare op de markt gegooid met een voorpublicatie bij De Morgen.
Kritiek op je werk incasseren is niet eenvoudig. Ik kan zelf ook enkele dagen wankelen als ik (zowel goede als slechte) commentaar op mijn teksten of gedichten heb gekregen. Uiteindelijk probeer ik met elke reactie, hoe ongenuanceerd die ook mag zijn, iets te doen.
Geef me liever de poëzie van Annemarie Estor. Ik ben geneigd haar een feministe te noemen, al heeft de dichteres die term in een interview nog nooit op zichzelf geplakt. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, is een lyrische werk geworden waarin een vrouwelijk hoofdpersonage verliefd wordt op ene Izem. De vrouw is bereid om tot het uiterste te gaan om de sater tot de hare te maken.
In zijn haar was ik zwak.
Ik kon er in dolen. Verlangde in die wirwar
sporen kwijt te zijn. Met zijn kronkels leek hij
een gekwelde heester en ik graaide
met mijn vingers in dit broeiende gewas.
Mijn zwarte randjes grauwden, wroetten
in de humus
Wie niet goed leest, zou De oksels van de bok als onfeministisch kunnen beschouwen. Een vrouw die valt voor de foute man, het zou zo in de Flair kunnen staan of in Vijftig tinten grijs ...
Soms sprak
hij of hij messen klemde met zijn tanden. Dan legde hij
zijn spieren op mijn appel, liet hij voelen dat mijn nek
ook knakken kon
… niet dus. De vrouw kiest voor de overgave. Ze wil opgaan in iets groter, iets goddelijk. Ze kruipt door de modder omdat ze dat zelf wil en incasseert de blutsen en de builen. Ze denk, voelt en handelt zonder gêne.
Zijn haar had het gedaan.
Mij dwongen de oksels
De recensie van Vele hemels boven de zevende van Mark Cloostermans lees je hier.
Annemarie Estor leest fragmenten voor uit De oksels van de bok in dit interview.
Mannen en vrouwen zijn verschillend. We hebben een ander lichaam, een verschil dat we nooit zullen overbruggen. We kunnen ons enkel voorstellen hoe het is om de ander te zijn. Je komt aardig in de buurt met empathie en verbeeldingskracht. Verschillen in de manier waarop mannen en vrouwen omgaan met onderwerpen zoals liefde of dood zijn vaak niet te wijten aan het geslacht van een persoon, maar eerder aan diens achtergrond.
Onlangs merkte iemand in mijn omgeving op dat Arthur Japin heel goed weet wat er in het hoofd van een vrouw omgaat. De aanleiding was een fragment uit zijn kortverhalenbundel De klank van sneeuw. Japin beschrijft de gedachtegang van een oudere operazangeres. In de badkamerspiegels van een hotelkamer onderwerpt ze haar lichaam aan een vernietigend oordeel. Mannen schrijven geloofwaardig over vrouwen, en andersom. Daarenboven had de operazangeres evengoed een man kunnen zijn. We hebben allemaal, vroeger of later, te maken met onzekerheden over ons lichaam.
Als het over feminisme gaat, voeren de Vlaamse media graag schrijfster Saskia de Coster ten tonele. Deze zomer verscheen in De Morgen een dubbelinterview met haar en Griet op de Beeck, een andere schrijfster die in 2013 met de roman Vele hemels boven de zevende debuteerde. Op de Beeck uitte haar ongenoegen over een recensie van haar boek in De Standaard der Letteren:
In De Standaard is mijn boek afgekraakt als 'Flair-psychologie'. Dat is van een kleingeestig machismo dat je niet meer voor mogelijk houdt in deze tijd. Er bestaat niet eens een mannelijke pendant voor 'Flair-psychologie'.
Op de Beeck rukt een citaat uit de context van een genuanceerde recensie. Haar reactie is makkelijk, spijtig en naast de kwestie. Recensent Mark Cloostermans verdient het niet om in het hokje machismo te worden ondergebracht. Hij gebruikte inderdaad het woord Flair. Ik interpreteerde zijn verwijzing naar het blad als een synoniem voor een gebrek aan diepgang in Vele hemels boven de zevende en niet als een vrouwonvriendelijke opmerking.
Wat heeft Op de Beeck te winnen bij deze uitval? Haar boek is een succes en kreeg over het algemeen goede tot zeer goede commentaren (vijf sterren in De Volkskrant, vier op cultuurbewust.nl en drie in nrc). Wie een boek op de markt gooit, weet dat er negatieve reacties kunnen volgen. De kans dat Vele hemels boven de zevende aan de logica zou ontsnappen was klein. De roman werd met de nodige fanfare op de markt gegooid met een voorpublicatie bij De Morgen.
Kritiek op je werk incasseren is niet eenvoudig. Ik kan zelf ook enkele dagen wankelen als ik (zowel goede als slechte) commentaar op mijn teksten of gedichten heb gekregen. Uiteindelijk probeer ik met elke reactie, hoe ongenuanceerd die ook mag zijn, iets te doen.
Geef me liever de poëzie van Annemarie Estor. Ik ben geneigd haar een feministe te noemen, al heeft de dichteres die term in een interview nog nooit op zichzelf geplakt. Haar tweede bundel, De oksels van de bok, is een lyrische werk geworden waarin een vrouwelijk hoofdpersonage verliefd wordt op ene Izem. De vrouw is bereid om tot het uiterste te gaan om de sater tot de hare te maken.
In zijn haar was ik zwak.
Ik kon er in dolen. Verlangde in die wirwar
sporen kwijt te zijn. Met zijn kronkels leek hij
een gekwelde heester en ik graaide
met mijn vingers in dit broeiende gewas.
Mijn zwarte randjes grauwden, wroetten
in de humus
Wie niet goed leest, zou De oksels van de bok als onfeministisch kunnen beschouwen. Een vrouw die valt voor de foute man, het zou zo in de Flair kunnen staan of in Vijftig tinten grijs ...
Soms sprak
hij of hij messen klemde met zijn tanden. Dan legde hij
zijn spieren op mijn appel, liet hij voelen dat mijn nek
ook knakken kon
… niet dus. De vrouw kiest voor de overgave. Ze wil opgaan in iets groter, iets goddelijk. Ze kruipt door de modder omdat ze dat zelf wil en incasseert de blutsen en de builen. Ze denk, voelt en handelt zonder gêne.
Zijn haar had het gedaan.
Mij dwongen de oksels
De recensie van Vele hemels boven de zevende van Mark Cloostermans lees je hier.
Annemarie Estor leest fragmenten voor uit De oksels van de bok in dit interview.
zondag 1 september 2013
De zomer van
Het was de zomer waarin ik amper nieuwe poëzie schreef, maar gedichten voltooide die stof vergaarden in de schuif of op mijn computer. De cycli Paars en Woonboot en de gedichten Koffie en Jas zijn klaar voor voordracht of publicatie. De gedichten komen mij voor alsof ze door iemand anders zijn geschreven. Het slot zit op de vorm en de inhoud. Ik ben op zoek naar stoute schoenen om Paars naar Kluger Hans te sturen en Woonboot naar Het Liegend Konijn. Jas of Koffie houd ik voor de Turing gedichtenwedstrijd. Daarvoor wil ik ook enkele Frida Kahlo-gedichten indienen, maar die vind ik nog niet goed genoeg.
Het was ook de zomer van een weekend weg van de wereld in een Brugs tuinhuis uit de achttiende eeuw. Niet ver van mij vandaan krioelden toeristen, terwijl ik onder het gebladerte van een prieel met een kop thee in de hand genoot van een zicht op een wilde, ommuurde tuin. 's Avonds maakte ik kladversies van blogberichten op een iPad die voortdurend mijn zogezegd fout geschreven woorden automatisch corrigeerde. Het resultaat is een aantal onleesbare (en soms hilarische) teksten die ik opnieuw moet schrijven. Voor de geïnteresseerden: het zal gaan over vrouwen, erotiek en seks, maar vooral over literatuur (of wat dacht je?).
Af en toe waagde ik mij in de Brugse drukte om in het voetspoor te treden van De Poëziekrant. In de recentste uitgave zette de krant drie zelfstandige boekhandels in de kijker. Ze liggen alle drie op wandelafstand van het belfort. Bij De Reyghere kocht ik Mijn leven is mooier dan literatuur van Jannah Loontjens, bij De Meester vond ik Hemel en hel van Jón Kalman Stefánsson en in de nieuwe vestiging van De Raaklijn nam ik Stilte als antwoord van Sara Maitland mee (met dank aan winterlief voor de tip).
Het was vooral de zomer van prachtige boeken. Ik haalde Er hangt een hoge lucht boven ons uit de kast, het poëziedebuut van Els Moors. Ze zal dankzij dit debuut tot het einde van haar dagen geassocieerd worden met witte fuckende konijnen, maar ik link haar hoge luchten aan een lentedag aan de rand van een meer, voeten bengelend in het water.
De zomer werd alsmaar warmer en de boeken in mijn hand volgden die tendens. Ik dook opnieuw in De oksels van de bok van Annemarie Estor. De hitte, de lust, het verlangen en de overgave spatten van de pagina's. Vlaamse poëzie in 2013 mag nog lyrisch zijn. De Herman De Conickprijs heeft ze dubbel en dik verdiend. Al lezend krijg je goesting om samen met het vrouwelijke hoofdpersonage door de smerigste troep te kruipen om je over te geven aan die ene man, die geile bok, die sardonische Izem.
Sleur is een roofdier van D. Hooijer greep mij bij de keel. De inventiviteit waarmee ze het Nederlands naar haar hand zet, is benijdenswaardig. Tijdens het eerste verhaal moest ik zinnen vaak herlezen omdat ik geen jota begreep van wat er stond. Eens ik haar stijl onder de knie had, was het puur genieten. Haar taal kronkelt, kriebelt en knalt. Die taalbeheersing koppelt Hooijer aan doodgewone, doch absurde verhalen. In Tweemaal tut-af schrijft ze over twee vrouwen van middelbare leeftijd die het beu zijn om als deftige, saaie madammen door het leven te gaan. Een van hen wendt zich zelfs tot een non voor advies. Bosgrond en peredrups verwijst naar de geur van het sperma van het hoofdpersonage, een oude man die fantaseert over zelfmoord. Hij heeft allerlei scenario's bedacht, maar slaagt er niet in om er een in praktijk te brengen.
Voor een paar euro's tikte ik maanden geleden Het lichaam bestaat niet bij De Slegte op de kop, een verzameld werk van verhalen en romans van Willem Melchior. Zijn homoseksuele personages zijn geobsedeerd door het bekijken, betasten, likken, bijten en pijnigen van hun lichaam (met een uitgesproken voorkeur voor tepels). Melchior leerde mij wat een slaventepel is, een term uit het sm-wereldje. Dat klinkt allemaal als het recept voor een reeks geile verhalen. Geil is Het lichaam bestaat niet bij vlagen, maar het oeuvre van Melchior gaat evenzeer over naïviteit, onschuld, onzekerheid en verlangen.
De traag brandende boekenhype van dit jaar, Stoner van John Williams, hield mij tot twee uur 's nachts wakker. Williams vertelt in een eenvoudige taal het verhaal van een doodgewoon leven van William Stoner, een doodgewone professor literatuur. Het boek intrigeert door rake observaties, geloofwaardige plotwendingen en de gruwel van het alledaagse. Dat had een zwart verhaal kunnen opleveren, maar dat werd het niet. Er schuilt een zekere elegantie en bewonderenswaardige flexibiliteit in de wijze waarop Stoner zijn leven draagbaar houdt.
Met Henry en June van Anaïs Nin keek ik het einde van de zomer in de ogen. Voor deze roman gebruikte de schrijfster haar dagboekfragmenten uit het begin van de jaren dertig. In die periode leerde ze Henry Miller en diens tweede vrouw June kennen. Nin raakte in de ban van June, maar knoopt een (seksuele) relatie aan met Henry. Ze deelt ook het bed met ene Fred, Eduardo en Allendy. Nin is op en top vrouw en über-chic. Met dezelfde passie waarmee ze met Henry zoent, vrijt en neukt, wijdt ze zich aan haar dagboek. De zinnelijkheid dampt uit de zinnen.
Deze zomer kruisten ook twee non-fictie boeken mijn pad. Op reis in Finland vloog ik door De bodem van de pan van Florence Aubenas. Deze Franse journaliste verhuisde naar Caen, verfde haar haren blond en schreef zich in bij de Franse variant van onze VDAB als laaggeschoolde werkzoekende zonder ervaring. Al na één gesprek met een consulente wordt beslist dat haar toekomst in de schoonmaaksector ligt. Ze sleept zich van de ene nutteloze, maar verplichte workshop naar de andere om aan onderbetaald en onregelmatig werk als poetsvrouw te raken. Aubenas zet met haar ervaring het Franse systeem in z'n blootje. Stilaan dringt het besef bij iedereen door dat werk niet de oplossing is voor elk probleem. Een eenzijdige aanpak van armoede is gedoemd om te falen. Het duwt sommige mensen nog dieper in de put.
Ook non-fictie, maar van een andere strekking, is Goed eten van Dorien Knockaert. Na mijn jarenlange Nigella Lawson-obsessie werd het tijd voor een nieuwe wind in de keuken. Ik ben even helemaal klaar met kaneel, kip en goede boter. Met een tussenpauze van veertien jaar word ik weer deeltijds vegetariër. Knockaert vulde haar kookboek niet alleen met recepten, maar ook met korte reportages over de oorsprong van het eten op ons bord. Haar geliefde boterham met kaas blijkt een vette ecologische voetafdruk na te laten. Laat dat nu juist iets zijn wat ze wil vermijden. Ze kookt met liefde voor de planeet. Haar conclusie: vlees, vis en kaas kunnen, maar niet alle dagen. De tomatentaart die ik gisteren maakte, was alvast geslaagd.
Kortom, het was de zomer van koken, reizen, schrijven en lezen. Ik heb genoeg adem en inspiratie verzameld om er dit najaar in te vliegen. Het wordt druk en spannend. Op dit blog hoop ik daar af en toe over te berichten.
Vanna één, vanna twee en we zijn vertrokken!
Het was ook de zomer van een weekend weg van de wereld in een Brugs tuinhuis uit de achttiende eeuw. Niet ver van mij vandaan krioelden toeristen, terwijl ik onder het gebladerte van een prieel met een kop thee in de hand genoot van een zicht op een wilde, ommuurde tuin. 's Avonds maakte ik kladversies van blogberichten op een iPad die voortdurend mijn zogezegd fout geschreven woorden automatisch corrigeerde. Het resultaat is een aantal onleesbare (en soms hilarische) teksten die ik opnieuw moet schrijven. Voor de geïnteresseerden: het zal gaan over vrouwen, erotiek en seks, maar vooral over literatuur (of wat dacht je?).
Af en toe waagde ik mij in de Brugse drukte om in het voetspoor te treden van De Poëziekrant. In de recentste uitgave zette de krant drie zelfstandige boekhandels in de kijker. Ze liggen alle drie op wandelafstand van het belfort. Bij De Reyghere kocht ik Mijn leven is mooier dan literatuur van Jannah Loontjens, bij De Meester vond ik Hemel en hel van Jón Kalman Stefánsson en in de nieuwe vestiging van De Raaklijn nam ik Stilte als antwoord van Sara Maitland mee (met dank aan winterlief voor de tip).
Het was vooral de zomer van prachtige boeken. Ik haalde Er hangt een hoge lucht boven ons uit de kast, het poëziedebuut van Els Moors. Ze zal dankzij dit debuut tot het einde van haar dagen geassocieerd worden met witte fuckende konijnen, maar ik link haar hoge luchten aan een lentedag aan de rand van een meer, voeten bengelend in het water.
De zomer werd alsmaar warmer en de boeken in mijn hand volgden die tendens. Ik dook opnieuw in De oksels van de bok van Annemarie Estor. De hitte, de lust, het verlangen en de overgave spatten van de pagina's. Vlaamse poëzie in 2013 mag nog lyrisch zijn. De Herman De Conickprijs heeft ze dubbel en dik verdiend. Al lezend krijg je goesting om samen met het vrouwelijke hoofdpersonage door de smerigste troep te kruipen om je over te geven aan die ene man, die geile bok, die sardonische Izem.
Sleur is een roofdier van D. Hooijer greep mij bij de keel. De inventiviteit waarmee ze het Nederlands naar haar hand zet, is benijdenswaardig. Tijdens het eerste verhaal moest ik zinnen vaak herlezen omdat ik geen jota begreep van wat er stond. Eens ik haar stijl onder de knie had, was het puur genieten. Haar taal kronkelt, kriebelt en knalt. Die taalbeheersing koppelt Hooijer aan doodgewone, doch absurde verhalen. In Tweemaal tut-af schrijft ze over twee vrouwen van middelbare leeftijd die het beu zijn om als deftige, saaie madammen door het leven te gaan. Een van hen wendt zich zelfs tot een non voor advies. Bosgrond en peredrups verwijst naar de geur van het sperma van het hoofdpersonage, een oude man die fantaseert over zelfmoord. Hij heeft allerlei scenario's bedacht, maar slaagt er niet in om er een in praktijk te brengen.
Voor een paar euro's tikte ik maanden geleden Het lichaam bestaat niet bij De Slegte op de kop, een verzameld werk van verhalen en romans van Willem Melchior. Zijn homoseksuele personages zijn geobsedeerd door het bekijken, betasten, likken, bijten en pijnigen van hun lichaam (met een uitgesproken voorkeur voor tepels). Melchior leerde mij wat een slaventepel is, een term uit het sm-wereldje. Dat klinkt allemaal als het recept voor een reeks geile verhalen. Geil is Het lichaam bestaat niet bij vlagen, maar het oeuvre van Melchior gaat evenzeer over naïviteit, onschuld, onzekerheid en verlangen.
De traag brandende boekenhype van dit jaar, Stoner van John Williams, hield mij tot twee uur 's nachts wakker. Williams vertelt in een eenvoudige taal het verhaal van een doodgewoon leven van William Stoner, een doodgewone professor literatuur. Het boek intrigeert door rake observaties, geloofwaardige plotwendingen en de gruwel van het alledaagse. Dat had een zwart verhaal kunnen opleveren, maar dat werd het niet. Er schuilt een zekere elegantie en bewonderenswaardige flexibiliteit in de wijze waarop Stoner zijn leven draagbaar houdt.
Met Henry en June van Anaïs Nin keek ik het einde van de zomer in de ogen. Voor deze roman gebruikte de schrijfster haar dagboekfragmenten uit het begin van de jaren dertig. In die periode leerde ze Henry Miller en diens tweede vrouw June kennen. Nin raakte in de ban van June, maar knoopt een (seksuele) relatie aan met Henry. Ze deelt ook het bed met ene Fred, Eduardo en Allendy. Nin is op en top vrouw en über-chic. Met dezelfde passie waarmee ze met Henry zoent, vrijt en neukt, wijdt ze zich aan haar dagboek. De zinnelijkheid dampt uit de zinnen.
Deze zomer kruisten ook twee non-fictie boeken mijn pad. Op reis in Finland vloog ik door De bodem van de pan van Florence Aubenas. Deze Franse journaliste verhuisde naar Caen, verfde haar haren blond en schreef zich in bij de Franse variant van onze VDAB als laaggeschoolde werkzoekende zonder ervaring. Al na één gesprek met een consulente wordt beslist dat haar toekomst in de schoonmaaksector ligt. Ze sleept zich van de ene nutteloze, maar verplichte workshop naar de andere om aan onderbetaald en onregelmatig werk als poetsvrouw te raken. Aubenas zet met haar ervaring het Franse systeem in z'n blootje. Stilaan dringt het besef bij iedereen door dat werk niet de oplossing is voor elk probleem. Een eenzijdige aanpak van armoede is gedoemd om te falen. Het duwt sommige mensen nog dieper in de put.
Ook non-fictie, maar van een andere strekking, is Goed eten van Dorien Knockaert. Na mijn jarenlange Nigella Lawson-obsessie werd het tijd voor een nieuwe wind in de keuken. Ik ben even helemaal klaar met kaneel, kip en goede boter. Met een tussenpauze van veertien jaar word ik weer deeltijds vegetariër. Knockaert vulde haar kookboek niet alleen met recepten, maar ook met korte reportages over de oorsprong van het eten op ons bord. Haar geliefde boterham met kaas blijkt een vette ecologische voetafdruk na te laten. Laat dat nu juist iets zijn wat ze wil vermijden. Ze kookt met liefde voor de planeet. Haar conclusie: vlees, vis en kaas kunnen, maar niet alle dagen. De tomatentaart die ik gisteren maakte, was alvast geslaagd.
Kortom, het was de zomer van koken, reizen, schrijven en lezen. Ik heb genoeg adem en inspiratie verzameld om er dit najaar in te vliegen. Het wordt druk en spannend. Op dit blog hoop ik daar af en toe over te berichten.
Vanna één, vanna twee en we zijn vertrokken!
Abonneren op:
Posts (Atom)