Posts tonen met het label Goed oud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Goed oud. Alle posts tonen

zondag 13 maart 2016

Lezen doe je zo! (over Joanna Rakoff en Diana Athill)

My Salinger Year
Goed oud
















Serendipiteit

Ongepland een boekhandel binnenstappen. Het overkwam me enkele weken geleden. Na een lunch met vrienden in de stad besluit ik niet meteen de trein naar huis te nemen. Ik word nergens meer verwacht en heb tijd om tijd te verliezen. Ik loop Boekarest Leuven binnen en wil daar rondhangen tot de boekenruggen- en covers me gaan vervelen. Ik pak enkele romans van de plank, blader erin, lees een fragment en leg het boek terug; ik kom tot rust. Soms is het me meer te doen om de handeling - het lukraak kiezen en openslaan van boeken - dan om de zinnen waar mijn oog op valt. Meestal ben ik de woorden toch zo vergeten. Al bestaan er op die regel gelukkig uitzonderingen.
We all have to start somewhere. 
Als het even meezit, houden ook de daaropvolgende zinnen mijn aandacht vast.
For me, that somewhere was a dark room, lined from floor to ceiling with books, rows and rows of books sorted by author, books from every conceivable era of the twentieth century, their covers bearing the design hallmarks of the moments in which they'd been released into the world - the whimsical line drawings of the 1920's, the dour mustards and maroons of the late 1950's, the gauzy watercolor portraits of the 1970's - books that defined my days and the days of others who worked within this dark warren of offices. 
En dan sta ik, een vijftal minuten later, met dat boek aan de kassa. Wat is er mooier dan iets vinden waar ik niet naar zocht? Een onverwacht cadeau, zelfs al moet ik ervoor betalen. Die bewuste dag stond ik met My Salinger Year aan de kassa, een non-fictie boek van Joanna Rakoff.

My Salinger Year

Rakoff schrijft over haar eerste werkervaring in een literair agentschap in New York City. In Amerika is het, in tegenstelling tot België, niet de gewoonte dat een auteur zijn manuscript rechtstreeks aan een uitgeverij bezorgt. Hij moet zich door een agentschap laten vertegenwoordigen dat in zijn naam een voet tussen de deur van een uitgeverij probeert te krijgen. Het agentschap waarvoor Rakoff werkt, verdedigt onder andere de rechten van J.D. Salinger, een monument uit de Amerikaanse literatuur.

Maar, wat moet ik met een boek over Salinger? Mijn kennis van zijn werk beperkt zich tot Nine Stories, een bundeling kortverhalen die ik ooit voor een zacht prijsje bij De Slegte kocht. Van mijn leeservaring herinner ik me weinig, behalve één titel: A Perfect Day for Bananafish. Bananenvis? Van zo'n woord slaat mijn verbeelding op hol. In een net dat uit de zee wordt gehaald, spartelen slanke, gelige vissen. Iemand snijdt ze open, trekt de ingewanden uit hun buik en legt de holle vissenlijven op een barbecue. De rook en de hitte doen luipaardvlekken op de schubben verschijnen.

Mijn gebrek aan kennis vormde gelukkig geen barrière om van My Salinger Year te genieten. Bij aanvang van het boek blijkt dat Rakoff evenmin vertrouwd is met zijn werk, en dat in tegenstelling tot veel van haar leeftijdgenoten. Zij dweepten tijdens hun puberteit met Holden Caulfield, het cynische hoofdpersonage uit The Catcher in the Rye. Rakoffs leestraject liep via andere boeken en schrijvers, niet uit afkeer voor Salinger, maar gewoon: omdat het er niet van kwam hem te lezen. Een lezer heeft soms geen origineler excuus te geef. Een gevoel dat ik zelf ook herken. Zo staat Ulysses van James Joyce, nog zo'n literair monument, al jaren onaangeroerd in mijn kast. Het staat daar fijn. Ik kijk graag naar de dikke, blauwe rug. Waarom ik het nog niet heb gelezen? Daarom.

Een trance

In het agentschap wil Rakoff graag aan de slag als lezeres van manuscripten. Ze wil er de beste uit selecteren om ze vervolgens aan uitgeverijen en magazines te verkopen. Al snel blijkt haar baan een glamourjob. De werkplek levert haar veel oeh's en aah's op van haar vrienden, maar betaalt slecht. Met haar inkomen loopt ze niet ver in een stad als New York City waar zelfs een broodje een been uit haar lijf kost. Manuscripten lezen behoort niet eens tot haar takenpakket. Ze is de secretaresse van het hoofd van het agentschap - een soort van Anna Wintour van de literaire wereld - die van haar onder andere verwacht dat ze de fanmail voor Salinger beantwoordt.

Naarmate het boek vordert, draait Rakoff in steeds kleinere cirkels rond Salinger. Ze ziet zijn werk alle dagen in de kasten van het agentschap staan en raakt op een feestje over hem aan de praat met twee redacteurs van The New Yorker. De etalage van een antiquariaat trekt haar aandacht met een zeldzame druk van The Catcher in the Rye. Ze krijgt de auteur zelfs een aantal keren aan de lijn alvorens hem met haar bazin door te schakelen. Toch zijn het vooral de ervaringen van zijn fans, zijn lezers die haar over de streep trekken. Ook voor haar blijkt de Salinger-roes uiteindelijk onafwendbaar: op één weekend tijd leest ze als een bezetene zijn hele oeuvre. Haar lief, ene Don van wie ze vermoedt dat hij haar met andere vrouwen bedriegt, viert op dat moment op een strand het huwelijk van een vriend - zonder haar. Wanneer Don terug thuis komt, ontwaakt ze uit een Salinger-trance, een trance die elke lezer herkent die zich helemaal door een verhaal geabsorbeerd weet:
When I spoke, my voice was hoarse, as if I'd just woken up. I'd barely uttered a word all weekend, except to order my eggs and coffee. (...) A curious blankness, an apathy, had settled over me. I watched the sky darken, preparing for rain. I had, in Don's absence, rather forgotten about him. I had not wondered what he was doing at the wedding, at the beach, if he was thrilled to be able to stare at the various young women in attendance without the fear of my censure, if he had woken this morning with some blonde by his side. I had not really thought about him at all. 
Misschien is dit wel mijn favoriete fragment uit het boek ... Een lezer die enthousiast over een leeservaring vertelt doet me goesting in boeken krijgen.

Goed oud

Als fervente lezeres is Rakoff verbaasd wanneer ze vaststelt dat het agentschap niet alleen de literaire waarde van een manuscript beoordeelt. Een boek moet ook (en vooral) geld in het laatje brengen. Haar ietwat naïeve instelling lijkt op die van Diana Athill. Het verschil tussen beide schrijfsters lijkt groot. In My Salinger Year volgen we het eerste werkjaar van de 24-jarige Rakoff; Athill publiceert het gros van haar oeuvre na haar 80e. Rakoff is in dienst van een agentschap; Athill werkt tot haar 75e als redactrice bij Andre Deutsch Ltd. Lezen werkt als een spiegel voor Rakoff, ze leert er zichzelf beter door kennen; Athill beschouwt boeken als goed gezelschap om vakantie van zichzelf te nemen. Er is echter meer dat hen bindt dan scheidt. Zo geeft ook Athill weinig om geld of winst, zowel op professioneel als persoonlijk vlak. En net als bij Rakoff is ook haar leestraject grillig, onvoorspelbaar, toevallig. In haar boek Goed oud (originele titel: Somewhere towards the end) zegt ze daarover:
En Gertrude Bell - waarom had ik nooit iets van of over haar willen lezen, ondanks mijn liefde voor Freya Stark en de simpele aanname dat T.E. Lawrence het waard was gelezen te worden ook al vond ik er weinig aan? Ik geloof dat de beschamende reden simpelweg in haar naam gelegen is. Gertrude: die twee lettergrepen, die lelijk op me overkomen, hebben altijd het beeld van een sombere, slonzige en onaangename vrouw opgeroepen, en ik weet zeker dat ik Georgina Howells biografie over Bell nooit had opgepakt als de Literary Review me niet gevraagd had om haar te bespreken - en daar was opeens die werkelijk bijzondere vrouw, die we volgden, diep in een van de interessantste regionen ter wereld tijdens een huiveringwekkende periode uit de moderne geschiedenis.
Verplichte literatuur kan een geweldig cadeau zijn. Een lezer moet af en toe een duw krijgen in de richting van een boek dat hij nooit vrijwillig zou inkijken. De oorsprong van een afwijzing is, zoals Athill zegt, soms te flauw voor woorden. Het oog wil ook wat, en dan helpt een afzichtelijke cover, een foute titel of een lelijke naam niet. Desondanks geloof ik dat een lezer op het juiste moment in de armen van een boek wordt gedreven. Dan lees, zie en hoor ik plots de naam van een specifieke auteur herhaaldelijk en nadrukkelijk, zelfs al is zijn werk voordien al jaren of eeuwen vlot beschikbaar in boekhandels en bibliotheken. Iets - een artikel, een interview, een enthousiaste lezer, een ervaring - heft mijn blindheid op, ontwikkelt mijn sensibiliteit voor een naam, een oeuvre.

Het tegenovergestelde, een boek te snel in huis halen, is me ook al meer dan eens overkomen. In sommige romans of dichtbundels ben ik al verschillende keren begonnen, om na enkele pagina's te denken: nee, nu nog niet. Ik ben ervan overtuigd dat ik ze op een dag in één ruk zal uitlezen. Daarvoor zal er iets - zie eerder - moeten gebeuren. Meer is er niet nodig voor een vonk.

Een lezer

Soms heb ik geen zin in een boek dat mijn wereld door elkaar schudt. Soms wil ik enkel mijn hoop of vermoedens bevestigd zien. Ik doel hiermee niet op publicaties die me naar de mond praten, eerder het tegenovergestelde. Van een goed boek verwacht ik altijd dat het mijn blik op de wereld verruimt of verdiept. Sommige auteurs slagen erin om aan uiterst gerafinneerde gewaarwordingen woorden te geven. Ze beschrijven een herkenbaar gevoel en doen dat op zo'n manier dat een lezer denkt: ja, zo is het werkelijk, alleen was het me tot nu toe niet gelukt om er zelf de juiste woorden voor te vinden.

Het stelt me gerust te weten dat er Rakoffs en Athills achter de schermen van agentschappen en uitgeverijen werken. Ze nuanceren allebei het beeld van een sector die vaak wordt afgeschilderd als een op geld beluste wolf die niets om literatuur geeft. Alleen al het feit dat ze in het boekenvak circuleren, bewijst dat de realiteit genuanceerder is. Anders waren My Salinger Year en Goed oud nooit geschreven én uitgegeven.

Joanna Rakoff en Diana Athill dragen zorg voor de lezer, omdat ze in de eerste plaats zelf hartstochtelijke lezeressen zijn. Hun neuzen zoeken manuscripten die de moeite waard zijn om een plek in onze persoonlijke en openbare bibliotheken te verwerven. Omdat een boekenkast is als een radiator. Omdat een wand met boeken gloeit.

Lees ook:
Ward Mertens over lezen
Ward Mertens over Diana Athill

zondag 6 april 2014

Verwantschap (deel 3) - over Diana Athill, Herta Müller en Valeria Luiselli

Deel 1 en 2 kun je hier en hier lezen.

Diana Athill, geboren in 1917, schreef met In plaats van een brief een boek over haar eerste grote liefde Tony Irvine, een piloot bij de Britse luchtmacht. Ze verloofden zich, maar hij zou haar verlaten en in het buitenland met een andere vrouw trouwen. Aanvankelijk besefte ze niet dat hun huwelijk nooit zou plaatsvinden. Ze schreef hem in de hoop reactie te ontvangen. Helaas, haar Tony antwoordde zelden. 

In plaats van een brief is meer dan alleen een verhaal over een verloren liefde. Athill gebruikt haar relatie met Irvine als een kapstok voor haar memoires. In Goed oud uit 2008 past ze eenzelfde techniek toe. In dat boek loopt de beleving van haar ouderdom als rode draad door de hoofdstukken.  

In een stijl om van te snoepen raakt Athill in beide boeken allerlei onderwerpen aan zoals lezen, schrijven, familie, tuinieren, oorlog of seksualiteit. Je hoort haar de lange, zwierige zinnen uitspreken met in haar ene hand een stok en in de andere een waaier. Ze schuwt de zelfkritiek nooit en serveert haar met flink wat humor. In In plaats van een brief schrijft ze:

Ik ging in 1936 naar Oxford en werd daar geen lid van de communistisch partij. Ik kan niet beweren dat doordachte kritiek op de marxistische theorie me weerhield, en ook niet dat ik intuïtief vooruitziender was dan veel van mijn tijdgenoten: het kwam gewoon doordat ik te lui was. 

Luiheid, een zonde waaraan Athill zich meer dan eens schuldig maakt. Ze houdt ervan om lang in bed te liggen. Moet ze iets doen waar ze tegenop ziet? Dan haakt ze bij de minste weerstand af. Het schrijven bleek een medicijn voor haar luiheid. Ondanks het feit dat ze meer dan vijftig jaar als redactrice voor André Deutsch werkte, ontdekte ze haar eigen talent pas op latere leeftijd. Acht van haar tien publicaties verschenen na haar vijfenzestigste verjaardag.

Athills boeken baden in een Britse sfeer. Haar woorden nemen je mee naar haar flat in Londen of het platteland waar ze haar jeugd doorbracht. Heel anders is de sfeer in het werk van Herta Müller. Geboren in 1953 in het Roemeense Nitchidorf, groeide ze op onder de dictatuur van Nicolae Ceausescu. Terwijl Athill vertelt over de geur van verse bloemen, schrijft Müller over vraatzuchtige akkers. De laatste weken ben ik in de ban van haar essaybundel De koning buigt, de koning moordt. Hierin wordt duidelijk dat hele fragmenten in haar romans uit het leven zijn gegrepen. 

Müller werkte als vertaalster in een machinefabriek, maar werd aan de deur gezet omdat ze weigerde met de Securitate samen te werken. Het regime was allesbehalve met haar publicaties opgezet. Ze werd afgeluisterd en onderging ellenlange ondervragingen. Pas in 1987 kreeg ze toelating om naar West-Duitsland te emigreren. 

Het lijdt geen twijfel dat Müller ingrijpend door de dictatuur werd beïnvloed. Toch is het kortzichtig om de voedingsbodem van haar schrijverij te herleiden tot een reactie op Ceausescu. In het essay Als we zwijgen worden we vervelend, als we praten worden we belachelijk vertelt ze over het verschil tussen het leven in Nitchidorf en Timisoara, de stad waar ze haar universitaire studies voltooide. Müller zegt: 

Tegen het asfalt breng je het praten in, tegen de akker de zware traagheid van je botten, onbeschut rek je de tijd, in de wetenschap dat de grond vraatzuchtig is laat je je tong stil in je mond liggen en laat je de grond wachten. Maar op het asfalt word je lichter, waar aan één stuk door gepraat wordt zit de dood niet onder maar achter het leven. 

De mens op het platteland zwijgt. Hoe minder hij spreekt, des te sterker is zijn aanwezigheid. Het zwijgen herbergt niet alleen onuitgesproken woorden, maar ook alles wat niet in woorden kan worden uitgedrukt. De mond van Müllers vrienden uit de stad staat nooit stil. De stadsmens schept al pratend een tweede versie van zichzelf om over zichzelf te kunnen reflecteren. Een frustrerende bezigheid want je mond heeft één handicap: je kunt pas aan een nieuw woord beginnen wanneer je het vorige hebt uitgesproken. 

Toch hoef je geen oorlog of dictatuur mee te maken om waardevol proza te schrijven. Getuige daarvan is de essaybundel Valse papieren van de Mexicaanse Valeria Luiselli. Dertig jaar oud is ze, maar haar teksten zijn even rijp als de pennenvruchten van Athill en Müller. Of het nu gaat om een witregel in een tekst of een onbebouwd stuk grond in een stad, Luiselli koestert elke leegte. Leegte is voor haar even tastbaar als vlees.

Ze opent haar zintuigen voor het leven, dwaalt en slentert, wandelt, fietst, rijdt en vliegt de wereld rond en komt uiteindelijk altijd weer bij zichzelf terecht. Haar omgeving is een spiegel. In het essay Speculaties op de woningmarkt: andere kamers schrijft ze: 

Ook wanneer het duister wordt functioneren de vensters niet als ramen. 's Nachts, wanneer ik het licht aandoe in mijn huis, weerspiegelen ze het interieur van het appartement in plaats van de buitenwereld te tonen. (...) zodra ik de lichten van mijn huis uitdoe begint de stomme film van mijn buren. Ik bespioneer ze al enkele dagen: zolang zij hun lichten aan hebben en ik de mijne uit, zien zij alleen maar hun weerspiegeling en merken ze niet dat ik hen kan zien.

Ze spreekt niet alleen over slenteren, haar essays bewegen zich ook al slenterend over het papier. Soms zoomt ze in op zichzelf, dan weer wordt ze een stip in haar eigen verhaal. 

De computers (...) zijn de grote moderne vijand van het voyeurisme. Vanaf het moment dat deze apparaten op onze bureaus werden geplaatst begon een onomkeerbaar proces van degeneratieve aard, en werd de mogelijkheid geschrapt dat mensen iets interessants deden voor het oog van de glurende buur. Sinds de intrede van Facebook is het ondenkbaar dat iemand in zijn woonkamer een misdaad begaat of een goede (oké: een mooie, smakelijke) affaire begint. Er bestaan geen indiscrete vensters meer die uitkijken op andermans leven, want alles speelt zich af in de kleinere, bedachtzame en hermetische windowtjes op het beeldscherm van onze computer. 

Diana Athill, Herta Müller en Valeria Luiselli mogen dan wel qua leeftijd ontzettend verschillen, ze delen ook iets essentieel met elkaar: elke tekst die ze schrijven, vertrekt vanuit hun eigen ervaring, zonder daarbij hun ego's, lichamen, gedachtenkronkels of meningen aan de lezer op te dringen.

De wijze waarop ze hun verhaal vertellen, tilt de individuele ervaring naar een universeel niveau. Al schrijvende geven ze hun gedachten vorm. In de eerste regels lijken ze zelf nog niet te weten waar hun verhaal of essay zal landen. Hun teksten zijn dialogen. Tekst, auteur en lezer beïnvloeden elkaar. De conclusie ligt nooit op voorhand vast.

Lees ook over mijn verwantschap met:
Joanne Harris, Erwin Mortier en Annelies Verbeke
Alessandro Baricco
Jón Kalman Stefánsson
Virginia Woolf
Vincent Van Gogh